Dinsdag, 29 februari 2000

Om half acht word ik wakker van de herrie van het personeel. Eerst baal ik ervan, maar dan vind ik het toch wel een mooie tijd om op te staan. Ik douche en trek makkelijke kleren aan. In het eetzaaltje zitten al wat andere reizigers. Sommigen gebogen over hun Lonely Planet. Anderen kauwend op hun stokbrood. Ik kijk op de menukaart en bestel brood, ei met kaas en yoghurt met Corn Flakes. Het is waar dat dat erg westers is, maar de kaart biedt weinig alternatieven. Door de kleine raampjes zie ik een kleddernatte straat. Voetgangers en fietsers banen zich gehuld in plastic een weg door de vele plassen. Het giet van de regen. Ik had gisteren op internet al de voorspellingen voor de komende dagen gelezen. Het weer zou voorlopig niet veranderen. Met de paraplu op loop ik naar de nabijgelegen ambassade van Cambodja.

Het vervallen koloniale gebouw heb ik snel gevonden, maar het lijkt alsof er niemand aanwezig is. Ik loop naar binnen en ga op zoek naar het loket waar ik een visum kan aanvragen. Er is echter geen mens. De vele ruime, luxueus ingerichte kamers zijn volstrekt verlaten. Uiteindelijk zie ik beneden een Engelstalig papiertje hangen waarop staat dat er dinsdags geen visum-service is.

Ik besluit naar de oude stad te wandelen. Onderweg loop ik een paar winkels binnen. Vooral boekwinkels hebben mijn aandacht. Maar veel bijzonders kan ik er niet vinden. Een atlas of tenminste een gedetailleerde landkaart bijvoorbeeld, hebben ze niet. Wel eindeloos veel boeken om Engels te leren. Het zijn dan ook voornamelijk studenten die hier komen winkelen.

Ngoc Midden in Hanoi is het Hoan Kiem-meer. Een oase van rust. Via de fel rood gelakte The Huc-brug is de tempel Ngoc Son ofwel Jade-berg te bereiken. Deze stamt uit de achttiende eeuw. De brug er naar toe is in 1885 gebouwd. Aan het begin van de brug staat een wachthuisje waar een pre-revolutionair mannetje mij voor 12.000 dong een entreekaartje verkoopt. Het is de moeite waard. Op het eilandje staat de door kleine gebouwtjes en een prachtige rotstuin omringde tempel, die naar binnen toe steeds heiliger wordt. Een ander oud mannetje probeert mij in gebrekkig Engels het een en ander uit te leggen. Helaas versta ik slechts de helft van zijn mengelmoesje van Engels en Frans. Het is een komen en gaan van gelovigen. De mensen steken hun meegebrachte wierook aan en knielen vele malen voor het lachende Boeddhabeeld. Anderen komen geld offeren. Kleine briefjes echt geld verdwijnen in het offerblok. Maar buiten staan mensen, vooral vrouwen, enorme stapels met nagemaakte dollarbiljetten te verbranden. Achter elkaar verdwijnen de aan één kant bedrukte briefjes van honderd dollar in het vuur. Binnen in de tempel kijk ik met verbazing naar de enorme verzameling kitscherige heiligdommen. Dankzij de duisternis is het nog om aan te zien. Het is precies het tegenovergestelde van wat je in een Japanse tempel ziet. Daar heersen rust en harmonie. Maar hier in Hanoi kan het niet barok genoeg zijn. Als het even rustig is stel ik mijn statief op om een paar foto's te maken. Gelukkig zijn overal afdakjes zodat ik niet met mijn fotoapparatuur onder de paraplu hoef te hannesen.

Het lijkt mij maar het beste om de in de Lonely Planet beschreven wandelroute door Hanoi te volgen. Het begint met de schoenenstraat. Deze gaat bij een kruising over in de textielstraat. Wonderlijk hoe alle vormen van detailhandel gegroepeerd zijn. In Nederland had je dat eeuwen geleden nog. Sommige zeldzame ambachten, zoals de beitelaars van grafstenen en gevelstenen, moeten het met een stukje straat doen. In de rugzakkerscafésstraat vergelijk ik de prijzen van excursies en boek ik een driedaagse reis naar Sapa en omgeving. De uitbaatster garandeert mij dat het een bijzondere reis is. Beter dan die van de buren. Ze maakt een blikje cola voor mij open. Ik had eerst op eigen gelegenheid willen gaan, maar dat zou veel duurder worden. En met zo’n klein busje mee, lijkt mij ook geen ramp.

Ik vervolg de route, terwijl de regen blijft neergutsen. Om de twee meter stopt er een bromfiets of fietstaxi naast mij om vervoer aan te bieden. Maar omdat ik nog niet weet wat ik onderweg wil bekijken vind ik het handiger om te lopen. Ik bezoek wat tempeltjes, waarbij het niet altijd duidelijk is wat er aanbeden wordt. Na een paar uur wandelen begin ik het aardig te voelen. Ik denk dat ik in het vervolg maar een fiets huur. Via de hoge torens van het Meliahotel weet ik het Lotus Guest House terug te vinden. Onderweg er naar toe drink ik nog een paar biertjes. Dat helpt het best tegen de dorst en kost ongeveer hetzelfde als bronwater. In het Guest House bestel ik noedels met vlees en groente. Het is niet van bijzonder culinaire kwaliteit, maar mijn maag is in ieder geval weer gevuld. Ik denk dat ik morgen naar de Perfume Pagode ga. Dat is een excursie van een dag die ik voor weinig geld in het Lotus Guest House kan boeken. Dat betekent dan wel om half zeven ’s morgens de deur uit, zonder ontbijt natuurlijk.

Terug naar het menuNaar de volgende dag.