Dinsdag, 5 juni 2001 - Ik had tot acht uur willen slapen, maar word zes uur al wakker van de kou. De airco stond uit, maar kennelijk is het buiten zo koud dat ik binnen aan één deken niet genoeg heb. Verder slapen lukt niet. De opwinding over wat komen gaat is te groot. Hoe zal het vanaf morgen gaan als ik zelf overnachtingen en vervoer moet gaan regelen? Ik hoop vandaag een nieuwe Lonely Planet te kunnen kopen. In een hoofdstad met drie miljoen inwoners moet dat toch wel lukken, lijkt mij.
Het ontbijtbuffet is niet geweldig, maar de zaal is prima. Ik zit als het ware in een grote serre die uitkijkt over de Avenue 'd la Independence. Aan de overkant zie ik de koloniale gebouwen, die Antananarivo doen lijken op een Zuid-Franse provinciestad. Ook de auto's komen uit de Franse koloniale tijd. Ongeveer de helft is van het type Renault 4. Verder rijden er veel eenden en allerlei typen Peugeots. Fietsen en bromfietsen zijn er nauwelijks. Wie geen auto kan betalen, reist per taxi-brousse, bus of te voet. De voetgangers vormen een bonte mengeling aan etnische verscheidenheid. Donkere Aziaten (de Merina) vormen de meerderheid, maar ik zie ook relatief lichtgekleurde negers, Arabieren en Europeanen. Toch is het naar buiten kijken geen onverdeeld genoegen. Niet als je decadent zit te ontbijten althans. Het sterft van de bedelaars die het eten zowat van je bord afkijken. Na twee croissantjes, een kannetje ondrinkbare koffie en een bekertje yoghurt krijg ik niets meer naar binnen. Connie komt bij mij aan tafel zitten. De anderen van het gezelschap liggen nog te slapen. Ik moet van de serveerster een nota van 32.000 frank ondertekenen. Dat zal toch niet voor de koffie zijn? Het ontbijt zat tenslotte bij de prijs inbegrepen. Later hoor ik dat de nota slechts een formaliteit is en dat het bedrag van bijna 6 euro inderdaad bij de kamerprijs zit inbegrepen.
Ik wandel over de Avenue 'd la Independence naar het statige station om te informeren of er nog treinen rijden in Madagaskar. Rustig wandelen is er niet bij, want in tien minuten tijd word ik door naar schatting veertig taxichauffeurs en minstens zoveel bedelaars aangesproken. In Madagaskar word je als rijke buitenlander niet geacht te gaan lopen.
In het station heerst grote rust. Een dienstregeling is nergens te bekennen en de meeste stoelen zijn bezet door mensen die hopen dat er ooit nog eens een trein zal gaan rijden. Het ziet er weinig hoopvol uit allemaal. De loketten zijn gesloten.
De spoorwegen van Madagaskar zijn illustratief voor de zeer slecht functionerende overheid. Het hele overheidsbeleid wordt op het Rode Eiland beheerst door twisten tussen de achttien verschillende etnische groeperingen. De Merina's zijn met hun nog typisch Aziatische handelsgeest in economisch opzicht oppermachtig, hoewel zij flinke concurrentie ondervinden van Chinese en Arabische immigranten. De donkere mensen, met name de Côtiers, zijn echter ruim in de meerderheid en maken daarom binnen de politiek de dienst uit. Elk door de ene partij voorgesteld besluit wordt door de andere partij wel weer afgekeurd. Zo kan het gebeuren dat de belangrijke spoorverbinding van Tana (de veelgebruikte afkorting van Antananarivo) naar Antsirabe al twee jaar buiten dienst is vanwege een ingestort viaduct.
Door de van uitlaatgassen vergeven straten wandel ik naar het centrum van de stad waar ik traveller cheques kan omwisselen bij de Banque Credit Lyonnais. Het verkeer zit in alle richtingen vast. Een ambulance probeert tevergeefs vooruit te komen door de zee van lelijke eenden en Renaultjes 4. Na een kwartier hoor ik de sirene nog. De patiënt zal intussen wel overleden zijn. De benenwagen is het beste vervoermiddel in Antananarivo, want fietsen is met de steile heuvels vrijwel geen doen. In alle drukke straten zitten mensen op het trottoir spulletjes te verkopen. Het is net koninginnedag.
Voor de ingang van de bank staan gewapende wachtposten. Binnen in het rijkelijk met marmer en natuursteen behangen, koloniale gebouw gaat het allemaal niet echt soepeltjes. Het 'change'-loket is verlaten en ik word door een van de medewerkers naar de eerste verdieping van het monumentale pand gestuurd. De eerste verdieping bestaat uit een soort galerij met plateaus waar tientallen bankemployees met de Franse slag op ouderwetse typemachines zitten te hameren. Er staan ook wel wat computers, maar die worden vreemd genoeg nauwelijks gebruikt. Een wat oudere man stuurt mij weer naar beneden als ik hem de traveller cheques laat zien. Zo kom ik uiteindelijk via een aantal andere loketten weer bij het 'change'-loket terecht, waar nu ineens wel iemand blijkt te zitten. In ruil voor 100 dollar krijg ik een enorme stapel smoezelige, roze bankbiljetten. 25.000 frank is de grootste coupure en die is maar zo'n 4,5 euro waard.
Na mijn eerste kennismaking met de financiële wereld van Madagaskar wandel ik in noordelijke richting waar een groot meer is met een schiereilandje in het midden. Het is waanzinnig druk op straat. Het is weliswaar dinsdag, maar het lijkt wel alsof iedereen vrij heeft vandaag. Misschien hebben die mensen altijd wel vrij, al zien ze daar niet naar uit. Op een van de markten langs het meer maak ik kennis met een typisch Malagasy's fenomeen: plassen in het wild. Mannen, vrouwen, niemand geneert zich. Wie moet, doet gewoon zijn broek open of rok omhoog en huppekee. Ook het willekeurig wegwerpen van afval is in dit land kennelijk de doodnormaalste zaak.
Op een pleintje rust ik even uit in de schaduw van de bomen. Vanaf dat pleintje begint een enorme stenen trap naar beneden, naar de Zomamarkt. Ook op de trap zelf zijn tal van marktkraampjes waar hoofdzakelijk souvenirs worden verkocht, zoals houtsnijwerk en de typische van oude frisdrankblikjes vervaardigde schaalmodellen van auto's en taxi-brousses. De taxi-brousse is hét vervoermiddel van Madagaskar en is in het gunstigste geval een minibusje. Ik zal er later nog uitgebreid kennis mee maken.
Ik ga op zoek naar hotel Isoraka waar ik vrijdagnacht wil slapen en reserveer een kamer. Dan wandel ik verder naar restaurant Sakamanga waar ik vanavond met de overige Nederlanders en de Zwitser heb afgesproken. Het blijkt erg moeilijk te zijn om de weg te vinden. Ik heb wel een plattegrond bij mij die ik uit de Lonely Planet heb gekopieerd, maar het is af en toe nauwelijks te ontdekken waar ik mij op de kaart bevind. Straatnaambordjes zijn een zeldzaamheid in Tana.
In de uitgestrekte hoofdstad kom je de meeste van de achttien volken van Madagaskar tegen. De verschillen zijn niet altijd even duidelijk, maar je merkt wel dat er typisch Aziatische en Afrikaanse mensen zijn. De mensen met Aziatisch uiterlijk vormen de meerderheid in de hoofdstad en op de rest van de hoogvlakte rond Tana en het zuidelijker gelegen Antsirabe. Hoewel de immigratie van hun voorouders zo'n 1500 jaar geleden plaatsvond, is het Maleisische uiterlijk van de mensen nog nauwelijks veranderd.
In de grote supermarkt Champion koop ik drie ansichtkaarten. Postzegels hebben ze niet. Wel heel veel geïmporteerde producten, zelfs uit Nederland. De prijzen zijn ook geïmporteerd. Voor de modale Malagasy moet deze winkel onbetaalbaar zijn. Bij het postkantoor koop ik postzegels, die amper op de kaarten passen. Het zijn enorme lappen, waarvan ik er per kaart vier moet opplakken. Dat gaat dus dwars over de al ingevulde adressen heen. Ik klieder de adressen opnieuw neer op het kleine beetje ruimte dat onder de lap met postzegels nog vrij is.
De boekwinkels stellen zwaar teleur. Wie een bijbel of schoolboek zoekt is in Tana aan het juiste adres, maar een fatsoenlijke reisgids is nergens te koop. Er is een winkel die een redelijke Franstalige gids heeft, maar daar heb ik met mijn uiterst summiere kennis van het Frans weinig aan. Ik geef het maar op. Ook voor wat betreft souvenirs ben je gauw uitgekeken in deze stad. Prularia zijn overal te koop, maar een leuk t-shirt is nergens te vinden. Ik besluit een lange wandeling te maken naar het voormalige paleis van de koningin, dat tijdens rellen in 1996 in brand gestoken is en volledig is uitgebrand. Ik loop langs een park waar tientallen mensen steentjes zitten uit te hakken. Anderen metselen van die steentjes een muurtje dat rond het park komt te staan. Werkverschaffing. Ik heb er geen andere verklaring voor.
De Rova, zoals het paleis heet, ligt op een van de hoge heuvels en het vergt een zeer vermoeiende klim om er te komen. Gelukkig zijn er in dit deel van de stad geen vervelende taxichauffeurs of bedelaars. Ik weet niet hoe de Rova eruit ziet, dus als ik een kasteelachtig gebouw zie denk ik dat ik er ben. Helaas. De wachten sturen mij weg. Ik blijk bij het presidentiële paleis te zijn aangekomen en daar mag ik natuurlijk niet naar binnen. Ik moet flink omlopen om weer op de goede weg terug te komen. Rond de heuveltop ligt een doolhof van steegjes die de niet over de weg bereikbare huizen met elkaar verbinden.
De Rova is niet ingestort door de brand, maar van het interieur is niets meer over. Officieel is het gebouw gesloten, maar een paar jongens willen mij tegen vergoeding wel rondleiden. Ik voel daar weinig voor, want veel is er niet te zien aan de ruïne. Bovendien is het onderhand tijd om terug te gaan, want de zon staat al laag en ik geloof nog steeds dat je je na zonsondergang niet meer op straat moet vertonen in Tana.
Via bochtige straatjes met meters hoge kerststerren loop ik terug naar het centrum. Onderweg bewonder ik de uitzichten over de heuvels waarop Tana gebouwd is. Ik kijk nog even bij het station, maar dat is nu geheel verlaten. Op de terugweg naar het hotel verlies ik mijn zonnebril die nonchalant aan mijn tas had gehangen. Stom, maar gelukkig heb ik een reservezonnebril bij mij. Daar moet ik nu superzuinig op zijn. Kwart over vijf gaat de zon al onder. De laatste stralen hullen de aftandse bebouwing van de stad in een prachtig goudgeel licht. Het verkeer sukkelt intussen onophoudelijk door. Het enige verkeerslicht in heel Madagaskar is buiten werking. Een agent probeert de verkeerstroom te regelen, maar wat moet je als alles vaststaat?
Ik heb nog ruim anderhalf uur voordat we gaan eten, dus probeer ik wat te slapen. Dat lukt niet. Na een tweede douche loop ik met een royale omweg naar het Sakamanga-restaurant. Alle kostbaarheden heb ik in het hotel achtergelaten, want ik ben de waarschuwingen uit de reislectuur nog niet vergeten. Maar het valt mij mee op straat. In het goed verlichte centrum is volop gezelligheid en de dreigende atmosfeer van de donkere buitenwijken is hier nergens te bekennen. Wel struikel je over de bedelende kinderen, die volgens de waarschuwingen soms hele handige zakkenrollers kunnen zijn.
In het restaurant ben ik opgelucht als ik van Wybe een beduimelde Lonely Planet krijg. Die ga ik met mijn leven verdedigen, neem ik mij voor. Want een nieuwe kopen is uitgesloten in Madagaskar. Het eten smaakt voortreffelijk en ik spreek met Pascal en Connie af dat we morgen gezamenlijk vervoer gaan regelen om naar het natuurpark Perinét te rijden. Na het eten lopen we naar La Glacier. Dat is zo ongeveer de enige plek in de drie miljoen inwoners tellende hoofdstad waar 's avonds nog enig vertier is. Er treedt een goede band op en het is er gezellig, ondanks de in grote getale aanwezige prostituees die het vooral op de oudere en kennelijk welgestelde mannen hebben voorzien. Hoe lelijker en hoe dikker, hoe aantrekkelijker, lijkt het wel. Walgelijk hoe een oude, kale man met zo'n jonge meid staat te tongzoenen. Na twee biertjes van 65 cl ben ik dronken. Ik loop naar het hotel terug om te gaan slapen, terwijl een paar van mijn reisgenoten met hun nieuwe vriendinnetjes nog de locale discotheek gaan uitproberen.
| Terug naar het menu | Naar de volgende dag. |