Vrijdag, 13 april 2001
Vrijdag de dertiende. Een mooie dag om een rondreis met een touringcar te beginnen. De koffers zijn al ingepakt, maar mijn vrouw Diana vindt het toch nog nodig om al tien over vijf op te staan. Het grootste deel van de dik anderhalf uur voor vertrek zal ze in de badkamer doorbrengen, dus ik blijf lekker nog even liggen. We zijn net klaar als kwart voor zeven Diana's vader komt om ons naar het station van Haarlem te brengen, waar wij rond half acht op de bus zullen stappen. Met onze volgestouwde koffers van elk twintig kilo en veel te grote handbagage komen we ruim op tijd aan op het nog stille, donkere en ijskoude Haarlemse stationsplein met zijn prachtige artdeco-station en zijn foeilelijke overkant. De wind snijdt door onze kleren, maar we zijn al blij dat het eens niet regent.
De bus is keurig op tijd. De passagiers ook, dus kunnen we meteen vertrekken. Het is een zogenoemde servicebus die ons naar het verzamelpunt in Tongelre nabij Eindhoven brengt. Aan boord hebben we dus ook mensen die naar andere bestemmingen gaan. Gelukkig is de verbinding rechtstreeks en hoeven we niet eerst heel Noord- en Zuid-Holland af om passagiers op te halen. Het is goede vrijdag en de lange reeks van spoorstakingen is net beëindigd. Dus komen we zonder files even voor negen uur aan in het sportcentrum De Tongelreep dat onderhand beter het Peter Langhout Centrum genoemd kan worden. Niet minder dan 25 bussen staan er te ronken met bestemmingen als de Friese meren en Euro Disney, maar ook verderweg, naar Polen, Tsjechië en natuurlijk Italië. Temidden van het onuitgeslapen buspubliek sjokken we naar het sportcentrum waar appelgebak en ondrinkbare koffie op ons staan te wachten.
We schuiven aan bij een tafeltje waarop een bordje met onze rondreis staat. Zo kunnen we al kennis maken met onze toekomstige reisgenoten. De zaal stroomt vol met zo'n 300 reizigers, die straks allemaal tegelijk naar hun bus zullen dringen. Het is geen lolletje om tussen dergelijk publiek te zitten. Ventilatie is er nauwelijks, dus al na een kwartier staat de benauwde ruimte vol rook. Dan duurt het nog allemaal zo lang ook. Pas rond half elf klinken de verlossende woorden door de omroepinstallatie. Diana en ik staan dan al buiten, waar ook luidsprekers zijn gemonteerd. We moeten naar bus 6. Ik wil een beetje doorlopen, want dan hebben we in ieder geval voor deze eerste zeer lange rit naar Zuid-Frankrijk een goede plaats, voorin. Terwijl ik de koffers uit de servicebus haal en naar onze aan de andere kant van het parkeerterrein geparkeerde rondreisbus sjouw, bezet Diana twee plaatsen achter de chauffeurzetel. Prima.
In een ware uittocht begint de enorme karavaan Peter Langhout-bussen te rijden. Ik sta ervan te kijken dat het gemanoeuvreer op de relatief kleine parkeerplaats niet tot ongelukken leidt. Maar de routine van de chauffeurs doet wonderen en al snel gaat iedere bus zijn eigen weg. Wij kiezen de A2 naar Maastricht. De chauffeur, die zich voorstelt als Joop de Rooij, vertelt in het kort wat ons vandaag te wachten staat en waarschuwt voor strenge grenscontroles in verband met de Mond- en Klauwzeer-crisis, die Nederland al weken teistert. Het einddoel van deze dag is het dorpje Sausheim vlakbij Mulhouse in het zuidoosten van Frankrijk. Buiten begint het licht te sneeuwen.
Naar mate we de Belgische grens naderen, wordt Joop zenuwachtiger. Hij vertelt over eerdere avonturen waarbij de douane een halve Albert Heijn aan levensmiddelen te voorschijn wist te toveren uit de spullen van de passagiers. Wij zondigen ook een beetje, want we hebben twee krentenbollen met kaas in onze handbagage. Als er echt controle komt stoppen we die snel achter onze kiezen, spreek ik met Diana af.
Na de Toupolev-verzameling van Maastricht-Aachen Airport gepasseerd te hebben loopt het verkeer even vast op de derdewereldsnelweg door de Limburgse hoofdstad. Joop vreest dat we al in de file voor de grens staan, maar dat blijkt niet het geval. Al snel kunnen we doorrijden over een vrijwel lege weg en bij de grens is geen beambte te bekennen.
Rond half twaalf rijden we België in, dat er op deze hoogte al meteen heel buitenlands uitziet. Al na zo'n tien minuten zijn alleen nog maar Franstalige opschriften te zien. Ik wist niet dat Wallonië nog zo dicht bij de Nederlandse grens lag. De rit door het Maasdal is prachtig. Vooral aan de linkerkant begint het landschap al op een waar gebergte te lijken. De bewegwijzering is typisch Belgisch. Een tijdlang volgt Joop de borden Luxembourg, maar ineens staat het groot-hertogdom nergens meer aangegeven. Na lang nadenken zit er weinig anders op dan rechtsomkeert te maken en terug te rijden naar Luik. Dit gaat over een bijzonder ingewikkeld verkeersplein, dat wel bedoeld lijkt om aspirant-automobilisten te leren sturen.
Vanaf Luik komen we weer op de goede weg terecht. Even na enen stoppen we voor een pauze van drie kwartier bij een smerig en veel te duur AC-restaurant. De bedoeling is om hier te lunchen, maar Diana en ik hebben het snel gezien en besluiten daarom maar een eindje door de omgeving te wandelen. Via een aardig weggetje langs schuurtjes en kleine bedrijfjes komen we in een dorpje aan. Nou ja, dorpje. Het is meer een provinciale weg met wat huizen erlangs. Het maakt een nogal armoedige indruk allemaal. Dit is bepaald niet het meest welvarendste deel van België.
Vanwege de koude houden we de wandeling kort en lopen we via dezelfde weg terug naar het smoezelige restaurant. Nog een kwartiertje wachten en dan rijden we weer verder.
De weg naar Luxemburg is saai. Af en toe val ik even in slaap. Diana is bijna continu in dromenland. Ook de andere passagiers lijken weinig om Oost-België te geven. Met 100 kilometer per uur rijden we Luxemburg binnen. En dat is met je ogen dicht te merken. Het kruimelige Belgische gatenasfalt gaat exact op de grenslijn over in een perfect onderhouden wegdek.
Van Luxemburg zien we bitter weinig. Ik herken nog het Shell-station waar we twee jaar geleden na een eclipsexcursie in Noord-Frankrijk voor 1,60 gulden per liter de tank hadden volgegooid. Bij de Franse grens begint Joop weer aardig nerveus te worden. Het kan zijn dat de hele bus ontsmet moet worden, roept hij weinig hoopvol door de microfoon. Maar ook de Fransen hebben een goede bui. Met een norse blik manen de beambtes de chauffeur om door te rijden.
Het landschap verandert nu ingrijpend. Ver in het oosten zijn de Duitse heuvels te zien. Net voor de grens staat een enorme kerncentrale. De Duitsers zullen er blij mee zijn. De omgeving wordt hier bepaald door zware industrie. We herkennen het punt waar we in 1999 de snelweg verlieten om in Maizières les Metz naar de zonsverduistering te kijken, die vanwege de dichte bewolking behoorlijk was tegengevallen. Vandaag is het weer hetzelfde weer als twee jaar geleden.
Voorbij Straatburg wordt het landschap mooier. Opvallend is dat alle plaatsnamen Duits zijn. Ook het landschap en de huizen zien er Duits uit. Wat taal betreft is het echter allemaal Frans wat de klok slaat. Rond vier uur stoppen we weer bij een wegrestaurant. Dit is kwalitatief vergelijkbaar met het AC-restaurant in België dus zijn we blij dat we na een half uurtje weer kunnen vertrekken. De laatste etappe. Nog even valt wat natte sneeuw, maar als we Mulhouse naderen, breekt de heldere hemel door de wolken.
De omgeving van Mulhouse en Sausheim is een en al industrie. Zelfs het Mercure-hotel waar we de eerste nacht zullen doorbrengen is op een industrieterrein gevestigd. Het hotel kan er prima mee door, maar de omgeving is een complete verschrikking. Ik had mij op een idyllisch Frans dorpje verheugd, maar hier staan tot ver in de omtrek alleen lelijke bedrijven. Als we ons geïnstalleerd hebben, gaan we toch nog een klein stukje wandelen om even de spieren los te maken na de lange busrit. Er is echter niet veel aan. Langs de wegen zijn niet eens trottoirs. En hoewel we bijna 800 kilometer naar het zuiden zijn gereden is het ook hier nog behoorlijk koud. We zijn dus ruim voor het diner weer terug in het hotel.
Diana wil stipt op tijd in de eetzaal zijn om niets van het diner te missen, maar het duurt nog ruim een half uur voordat het voorgerecht wordt opgediend. Het wordt een speciaal Peter Langhout-maal met zuinige porties, maar de smaak is goed. Als voorgerecht krijgen we een soort patë met zemeltjes. Het hoofdgerecht is een moot zeer zoute ham met een lekkere grillsaus. Het toetje bestaat uit ijsbolletjes met een soort perenlikeur, die ze in Frankrijk levenswater noemen. Het is de eerste echte gelegenheid om eens onze medepassagiers te bestuderen. Het is een nogal gevarieerd gezelschap. Het meest opvallend is een groepje buitenlanders, dat uit Oman blijkt te komen. Daarnaast zitten er Zuid-Afrikanen en Canadezen in de groep. Deze mensen zijn niet blij met het hoofdzakelijk uit varkensvlees samengestelde menu, maar het hotelpersoneel vindt het niet erg om iets anders voor te zetten. De gemiddelde leeftijd is hoog. Meer dan de helft van de reizigers is bejaard. Een hele oude baas met een wandelstok voert het hoogste woord.
De paar muntjes aan Frans geld die ik nog had zijn net genoeg om de absurd dure fles bronwater te betalen. 27 franc, ofwel ruim vier euro. Een flesje wijn had meer dan twaalf euro gekost. Diana vraagt aan de fraaie receptioniste in het Engels of het leidingwater drinkbaar is. Qui, qui o yes, antwoordt zij, maar op de kamer blijkt er bruinig water uit de kraan te komen. We genieten voor het slapen gaan nog even van de luxe van het ligbad. Dat zullen we in de Italiaanse hotels wel niet meemaken.
| Terug naar het menu | Naar de volgende dag. |