Ik zet mijn horloge vooruit als het buiten begint te schemeren en zie dat het in Hong Kong nu 6 uur in de ochtend moet zijn. In de diepte zijn de noordelijke uitlopers van de Himalaya te zien. Het beeldschermpje doet het weer en ik zie dat we de zuidelijke provincies van China naderen. Het licht gaat aan en de stewardessjes komen langs om gloeiend hete doekjes uit te delen. Ze zijn zelf wel zo handig om een lange tang te hanteren, maar de passagiers branden bijna hun handen. Terwijl het ontbijt wordt geserveerd vergaap ik mij aan het Chinese landschap dat beneden te zien is. Ik herken het grillige karstgebergte van Guilin en de kronkelende Li-rivier waarin ik vijf jaar eerder op een grote binnenband heb liggen dobberen. De verstedelijking neemt nu snel toe, evenals de duidelijk zichtbare luchtvervuiling. Ik prop het Engelse ontbijt met championomelet en witte bonen in tomatensaus naar binnen, zonder mijn aandacht voor het uitzicht te laten verslappen. De bewolking is vrijwel geheel verdwenen, zodat ik een prachtige rondvlucht boven zuidelijk China krijg aangeboden. Tegen acht uur zet het vliegtuig de daling in. De zon schittert op de enorme torenflats waarmee de heuvelachtige bergen rond Hong Kong zijn volgebouwd. Ik zie de vierbaanswegen en het links rijdende verkeer. Nog maar een jaar zal de kroonkolonie Brits zijn, want in 1999 wordt het eiland aan China teruggegeven.
De zee komt steeds dichterbij en ineens is het kunstmatige eiland te zien waarop het gloednieuwe Chek Lap Kok vliegveld is gebouwd. Het is nog maar net een maand open. Geen spectaculaire landingen meer op het levensgevaarlijke vliegveld Kai Tak, waarvoor de Boeings zo ongeveer tussen de wolkenkrabbers door moesten vliegen.
Het is buiten 29 graden, maar daarvan is binnen in de kille grijze hallen van het nieuwe luchthavengebouw weinig te merken. Overal is air-conditioning. Wat een luxe. Hier en daar steken nog bossen elektriciteitskabel uit de muren. Het gebouw is nog niet helemaal af. Chinese werksters sloffen met hun trolleys over de paars-grijze vloerbedekking. Engels design domineert nog altijd het interieur. Je voelt je hier niet in China. Nergens zijn Chinese karakters te zien en de talrijke tax-free-winkels in de transithal hebben het assortiment dat je op alle grote internationale luchthaven ter wereld aantreft.
Twee uur moet ik wachten voordat mijn aansluitende vlucht naar Bali vertrekt. Ik voel mij eenzaam en verlaten in deze kille omgeving waarin iedereen met zichzelf lijkt bezig te zijn. Hong Kong heeft weinig in gezelligheid geïnvesteerd op zijn nieuwe luchthaven. Ik stuur een kaartje met de groeten uit Hong Kong naar huis en loop dan naar de gate waar het vliegtuig staat waarmee ik voor het eerst in mijn leven de evenaar zal passeren.
We mogen op tijd aan boord, maar het duurt erg lang voordat we vertrekken. Het is smoorheet in het toestel dat tot de laatste plaats gevuld is. Ik zit bijna helemaal achterin aan het raam en ben blij dat ook op deze vlucht niet gerookt mag worden.
Buiten is niet veel te beleven. Na vijf minuten was Hong Kong uit het zicht verdwenen en nu is tot aan de kust van Kalimantan alleen maar zee te zien. Ditmaal werkt het schermpje in de stoel voor mij uitstekend, zodat ik kan zien wanneer ik de evenaar passeer.
Een nadeel van achterin zitten is de herrie, maar het uitzicht is natuurlijk perfect. Niets geen last van de vleugels en zo. Weer een vliegtuigmaaltijd. De flauwe hap begint mij nu toch echt tegen te staan. Azië is het werelddeel met het lekkerste eten, maar dat geldt niet op 10 kilometer boven de zeespiegel. Het voedsel is niet slechter dan bij andere maatschappijen, maar wel net zo smakeloos.
Na twee uur zie ik eindelijk de kust van Kalimantan, het vroegere Borneo. Ik ben in Indonesië! Nou ja, bijna. De Gordel van Smaragd ziet er niet gastvrij uit. Kale heuvels, waar ooit het tropisch regenwoud domineerde. Droge rivieren en hier en daar een zanderige weg. Op het schermpje zie ik na een tijdje dat we de evenaar passeren. Beneden is daar natuurlijk niets van te zien. De groen-grijze hel van Kalimantan verraadt niets van de lijn waarop het noordelijk in het zuidelijk halfrond overgaat. In de verte is al weer de Javazee te zien. Het duurt nu niet zo lang meer naar Bali. Ik ben daar wel blij om, want ik ben helemaal verstijfd van het veel te lang in één houding zitten. Het is namiddag als ik in het helder blauwe water het groene met sawa's bedekte Bali zie liggen. We volgen de kust en lijken dan in zee te landen. De landingsbaan op het zuidelijkste puntje van het bekende vakantie-eiland begint namelijk in zee.
Het is een chaos in de aankomsthal van het vliegveld van Denpasar. Taxichauffeurs en geldwisselaars proberen elkaar te overstemmen in hun honger naar klanten. Ondanks het lange wachten voor de douane heb ik nog even tijd nodig om te wennen aan deze nieuwe wereld. Indonesië. Een typische droombestemming voor Nederlanders. En daar loop ik dan. Ik wil naar Sanur, een badplaats aan de oostkust. Het lukt echter niet om een bus te vinden. Dan maar een minibusje, dat in Indonesië bemo wordt genoemd. Voor 30.000 rupia wil de chauffeur mij graag naar Sanur brengen. Ik bereken dat ik dan ongeveer 2,5 euro kwijt ben. Geen bedrag om moeilijk over te doen. Later kom ik er achter dat ik toch wel een beetje ben opgelicht, omdat een taxi mij minder dan 1 euro gekost zou hebben. Daarom vond de chauffeur het kennelijk ook niet nodig om andere passagiers te ronselen.
Al snel lopen we vast in het verkeer. Alleen met ongehoorde brutaliteit is nog vooruit te komen. Brommers en motorfietsen moeten maar zien dat ze uitwijken, want de jonge buschauffeur toont geen genade voor medeweggebruikers die een kleiner voertuig hebben dan hij. Er wordt links gereden, maar dat lijkt zo ongeveer de enige verkeersregel te zijn die nog enigszins nageleefd wordt. Tenzij er natuurlijk op de rechter weghelft even ruimte is. Dan ziet de chauffeur altijd nog wel kans om met een fraaie snijmanoeuvre nog snel even een ander busje in te halen.
Het lukt nauwelijks om betaalbare accommodatie te vinden in Sanur. Het Anandahotel behoort met 11 euro per nacht tot de goedkoopste opties. Omdat het inmiddels te laat is om buiten Sanur op zoek te gaan, besluit ik hier maar een kamer te nemen. Ik neem een douche, trek schone kleren aan en begin dan aan een lange zwerftocht om een beetje aan de nieuwe omstandigheden te wennen.
Sanur is een doolhof. Een paar keer loop ik verkeerd en moet dan terug wandelen omdat het soms kilometers lijkt te duren voordat er weer een zijstraat komt. Het wordt donker. Aan een lantaarnpaal hangt een reclamebord voor zuivel met een Hollands meisje en een Friese vlag erop. Verder is er eigenlijk niets meer te bespeuren wat nog herinnert aan Nederland, ondanks de pas vijftig jaar geleden beëindigde eeuwenlange overheersing. Dure hotels met dollarprijzen, goedkope restaurants met rupiaprijzen, souvenirwinkeltjes en weer hotels en restaurants. Dat is zo ongeveer Sanur. Personeel van de horecagelegenheden staat op straat te schreeuwen om klanten op hun zaak te attenderen. Wie niet luistert wordt half meegetrokken. Het is een vervelende en onbeleefde manier van klantenwerving. Jammer, want de zaakjes zijn van zichzelf al aantrekkelijk genoeg. Het eten ziet er overheerlijk uit en kost bijna niets. Ik plof ergens neer en bestel voor een euro of vijf een heerlijke maaltijd die ik bijna niet op kan. Alleen de gado-gado had minder zout gemogen. Na het eten is het echt donker geworden. Ik moet ingespannen turen tijdens het lopen om niet in een van de diepe gaten in het trottoir te vallen. Steeds stoppen brommers en auto's naast mij om vervoer aan te bieden, maar ik loop nu eenmaal liever. Met een ruime omweg keer ik terug naar het Anandahotel. Ik douche het zweet van mijn lichaam en val daarna direct in slaap.
| Terug naar het menu | Naar de volgende dag. |