Maandag, 5 juli 1993
Vandaag ben ik jarig. Maar om nu te zeggen dat ik mij ook jarig voel, nee. Ik ben helemaal uit mijn ritme. Mijn wereld lijkt uit deze trein te bestaan. Het bandje met Pink Floyd klinkt voor de twintigste maal. Zouden ze niet weten dat 'An other brick in the Wall' een aanklacht is tegen politieke systemen zoals die in Rusland en China heersen. Zou Deng Xiou Ping weten dat ze dit draaien? Behalve Pink Floyd staan nummers van de Scorpions en Queen op het bandje.
Dan wordt Ürümqi door de intercom geroepen. Ik denk dat het nog wel een uur of twee zal duren voordat we er zijn. Intussen worden de lakens en dekens opgehaald. De buurman komt onze couchette binnen en herhaalt wat de intercom al had medegedeeld. "Half a hour", zegt hij terwijl hij naar de wijzerplaat van zijn horloge wijst. Hij heeft gelijk. Precies een half uur later rijden we de buitenwijken van een grote stad binnen en mindert de trein vaart. Dan komt de trein met hevige rukken en schokken tot stilstand. Ik kan nog maar moeilijk wennen aan het ruwe rijgedrag van de Russische en Chinese treinwagons. Het komt door de stugge koppelingen. Het verende buffersysteem van Europa kennen ze hier niet.
Op het station is het een drukte van belang. Ik inspecteer nog even het compartiment of niets achtergebleven is en loop dan naar de deur. Wij verlaten zo ongeveer als allerlaatsten de trein en Gert neemt een foto van mij terwijl ik mijn eerste stap op Chinese bodem zet. Dan gaan we even op de bagage zitten om ons gewaar te worden van het feit dat de lange treinreis er op zit en we eindelijk in China zijn.
We maken kennis met een typisch Chinees gebruik als we opgeschrikt worden door het geluid van een riool dat leeggezogen wordt. We kijken om en zien een man die net een dikke rochel uitspuwt. Luid rochelen is in China de gewoonste zaak van de wereld. Het zijn niet alleen oude mannen die het doen, ook vrouwen en kleine kinderen zie je regelmatig met het hoofd naar achteren staan terwijl een luide rochel aan hun keel ontsnapt. Steevast wordt het geluid gevolgd door het uitspuwen van het naar boven gegorgelde residu. Dit kletst meestal vlak voor de voeten van de producent op de grond, waarna die hem met zijn schoenzool vertrapt. Het gerochel klinkt meerdere keren per minuut.
Door een lange gang over de sporen slenteren we achter de overige reizigers aan. Bij de kaartcontrole word ik tot mijn verrassing in het Engels aangesproken. "You from Holland?", vraagt de beambte. Ze zijn hier goed op de hoogte. Ik volg hem naar een klein kantoortje waar hij zich voorstelt. Hij blijkt van de CITS te zijn, de Chinese staatsorganisatie voor buitenlands toerisme. Hij verklaart mij volledig ten dienste zullen zijn en zegt dat ik voor alle informatie bij hem terecht kan. Ik vraag hem waar ik mijn kaartje voor het volgende traject kan kopen. Hij kijkt geïnteresseerd naar de voucher die ik hem overhandig en noemt dan de naam van het Holiday Inn. "Four o'clock, in Holiday Inn", zegt hij. Ik neem afscheid en loop de enorme stationshal weer in. Het lijkt hier de Bijenkorf wel. Overal mensen en langs de wanden vele kleine winkeltjes met lectuur, snoep en tabakswaren. Het is ingesteld op passagiers die lange reizen voor de boeg hebben. Kees, Gert en Carol zijn nergens meer te zien.
Buiten zie ik dat het flink geregend heeft in Ürümqi. De lucht is nog steeds zwaar bewolkt, maar aan de horizon zie een opklaring naderbij komen. Al vanaf het perron was buiten op straat het luide getoeter van het drukke verkeer te horen. Nu op het stationsplein is het oorverdovend. Vele vrachtwagens en bussen vechten om de weinige beschikbare vierkante meters op het zich in een tamelijk slechte staat verkerende asfalt. Daar tussendoor manoeuvreren de vele fietsers die zich gedragen alsof zij alleen op de wereld zijn.
Een kaartconductrice had mij uitgelegd waar ik bus 10 kon vinden die mij naar het hotel kon brengen. Volgens mijn reisbijbel moet ik vijf haltes mee en dan een stukje teruglopen. Ik ben benieuwd.
Ik heb geluk want de bus vertrekt net, maar hij stopt nog even om mij in te laten stappen. Met moeite pers ik mij met mijn bagage door de smalle deur van de oude, Spartaanse bus, terwijl ik de chauffeur glimlachend bedank met een kort 'xie-xie'. Het is een gelede bus zonder enige luxe of franje. Een conductrice roept mij naar achteren waar ik een kaartje moet kopen, maar een Chinese medepassagier geeft mij daartoe niet eens de gelegenheid. Hij staat zijn zitplaats af en loopt naar achteren om een kaartje voor mij te kopen. Hij wil er geen geld voor terug. Waar vind je zoveel vriendelijkheid?
Ik noem de naam van het hotel, Huaqiau Daxia (Hotel voor Overzeese Chinezen), en de chauffeur knikt bevestigend. Ik word er niet veel wijzer van en tel de haltes terwijl ik nieuwsgierig het stadse leven van Ürümqi gadesla. Het is een rommelige stad met bouwvallige huizen en overal drukke markten en bazaars. Het doet nogal oosters aan.
Fietsen zie ik in alle mogelijke variëteiten. Het meest voorkomend is de zwarte standaardfiets waarop overheidssubsidie zit, maar de kleurige city-bikes winnen snel terrein. Ook zie ik veel bakfietsen met soms de meest onwaarschijnlijke ladingen aan boord. Een man vervoert zijn hele gezin op de bakfiets.
Bij de vijfde halte stap ik uit. Ik had onderweg geprobeerd om de route van de bus op de kaart in mijn reisbijbel te volgen en volgens mij moeten we nu vlak bij het hotel zijn. Ik hoop het maar, want mijn bagage is nog steeds loodzwaar, terwijl het kwik al weer ver boven de dertig staat.
Ik sta op de halte langs een brede, drukke straat. Bijna loop ik de verkeerde kant op, maar de chauffeur wijst naar achteren en noemt de naam van het hotel. Ik kijk in de aangewezen richting en zie een groot gebouw in de verte. Dat moet het hotel zijn. Recht voor mij staat een nieuw gebouw in de steigers en zie ik de bouwvakkers halsbrekende toeren uithalen bij het verrichten van hun werkzaamheden. Veiligheidsvoorschriften kennen ze hier blijkbaar niet, want ik zie zelfs lassers zonder enige bescherming die hangend aan de stalen balken hun werk doen. De constructie ziet er niet naar uit alsof deze het gebouw langer dan tien jaar overeind zal kunnen houden.
De Xinhua Nanlu, waaraan het Huaqiao Daxia ligt, is breed en bestaat uit dubbele rijbanen vol bussen en vrachtwagens en aan weerskanten een ventweg voor het fietsverkeer. Ook de trottoirs zijn breed. Kleine dorre palmen moeten het stoffige uiterlijk van de straat wat fleur geven, maar slagen daar niet in. Onder een luifel van tentdoek staan jonge Chinezen te biljarten op versleten poolbiljarts.
In het hotel verwelkomen reclameborden op vriendelijke wijze de Engelstalige Overzeese Chinezen. Het valt mij allemaal reuze mee, want het hotel beschikt niet alleen over een fraaie lobby met airconditioning, maar ook over vriendelijk personeel dat goed Engels spreekt. Helaas snapt het meisje achter de balie niets van mijn voucher. Ze verwijst mij door naar de CITS, die volgens de reisbijbel in dit hotel gevestigd is.
Helaas is de bijbel op dat punt verouderd. Na de opening van het Holiday Inn vorig jaar, zijn de twee CITS-kantoren van Ürümqi daar naar toe verhuisd. Dan zeg ik haar dat ik uit Nederland kom. Dat helpt. Kennelijk heeft ze een instructie van de CITS ontvangen, want ze geeft mij verder zonder morren een formuliertje met mijn kamernummer. Als ik dat formuliertje boven laat zien zal het kamermeisje de deur voor mij open maken. Ik moet nog wel naar het CITS-kantoor voor mijn treinkaartje, zegt ze verder. Maar dat wil zij ook wel voor mij doen. Ik zeg dat het niet hoeft, want ik kom vanmiddag nog langs het Holiday Inn, zodat ik het net zo goed zelf kan ophalen. Van dat voornemen zou ik later nog spijt krijgen!
De kamer ziet er prima uit. Schoon, een nette badkamer met zeep, handdoeken, shampoo en zelfs een setje met kammetjes, minitandenborstel en tandpasta. Zelfs het WC-papier ontbreekt niet. Op de bril van de WC ligt een papieren hoes waarop in het Engels 'gedesinfecteerd' staat. Ik weet niet zeker of ik daarop kan vertrouwen.
Het kamermeisje komt zonder te kloppen binnen met een grote thermosfles met heet water. Dat is traditie in China. Zowel het binnenkomen zonder kloppen als de thermosfles. Het water kan ik gebruiken om thee te zetten, maar ik kan het ook af laten koelen om het als gewoon drinkwater te drinken. Kraanwater is daarvoor minder geschikt.
Ik besluit een kop oploskoffie te zetten om het duffe gevoel in mijn hoofd weg te spoelen. Een paar koekjes dienen als ontbijt, want daarvoor was in de trein geen tijd meer.
Dan nog even de was, want deze heeft slechts één dag om te drogen. Dat zal met deze hitte wel lukken. Ik doe de was in een grote emmer die tot de kamerinventaris behoort.
Ik voel mij bijzonder prettig in de luxe hotelkamer. Tot nu toe kan ik mijn verblijf in China als behoorlijk comfortabel beschrijven. Eerst de luxe trein en nu weer een zeer redelijk hotel met alle nodige voorzieningen voor een prettig verblijf. Ik hoop dat mijn coupégenoten Kees en Gert ook snel iets zullen vinden, want die hadden nog geen hotelruimte gereserveerd.
De rest van de dag besluit ik Ürümqi te gaan verkennen. Het is de hoofdstad van de provincie Xinjiang, ofwel het 'nieuwe land', één van de later (1883) door de Chinezen geannexeerde provincies en ook een van de meest onherbergzame en daarom dunst bevolkte gebieden van het Rijk van het Midden (Zhong-Guo). Ürümqi is het Mongools voor 'Fraaie Weidegrond'. Er is veel veranderd sinds de tijd dat deze stad haar naam kreeg.
Ürümqi ligt ruim 800 meter boven zeeniveau en dat is te merken. Het is ook de meest landinwaarts gelegen stad ter wereld. De atmosfeer is kurkdroog en trekt als het ware de transpiratie uit mijn lichaam. 's Winters is de temperatuur hier gemiddeld vijftien graden onder nul, maar nu, midden in de zomer, komt het kwik niet onder de dertig. Het valt mij op dat er geen zuchtje wind is. Door de stilstaande lucht is een dikke smogdeken ontstaan die laag boven de huizen blijft hangen.
Van oorsprong behoorde het gebied rond Ürümqi tot het Ottomaanse Rijk. Dat is nog te zien aan de Moorse invloeden in de architectuur. Ook telt de stad enige, voornamelijk armoedige, moskeeën. Nu Beijing wat toleranter is geworden ten aanzien van religie, vindt in dit gebied een sterke opleving van de Islam plaats. Midden in het centrum staat de schitterend gerestaureerde Shaanxi Moskee. Andere kerkgebouwen van de Islam verkeren in een langzaam proces van herstel. Er is weinig geld, maar veel goede wil.
De mensen zijn bijzonder kleurrijk en uit verschillende windstreken afkomstig. De Han-Chinees komt verreweg het meest voor, maar behoort niet tot de oorspronkelijke bevolking. Hun aanwezigheid hier heeft politieke redenen. Ze zijn overwegend tegen hun zin in deze streek gestationeerd om een kunstmatig Chinees overwicht te creëren en zo te voorkomen dat de lokale volkeren het gebied met succes zullen afsplitsen om een eigen staat te stichten. Daarvoor is het mineraalrijke Xinjiang te kostbaar voor Beijing.
De Islamitische minderheden zijn hoofdzakelijk Kazachen, Tajieken en Uyguren. De laatsten spreken Turks en vallen op door hun blonde haar en blauwe ogen. Een zeldzaamheid in Azië. Overigens bestaat tussen Ürümqi en Istanbul een rechtstreekse vliegverbinding!
De huizen van Ürümqi vormen een allegaartje aan stijlen. Het meest zie ik de efficiënte, uit Rusland geïmporteerde bunkerarchitectuur. Soms afgewisseld door een typisch Islamitisch bouwwerkje. Ook de Chinese architectuur komt voor, maar is wel vrij zeldzaam.
Langs de Xinhua Lu zijn sommige winkeltjes versierd met een gevel van gekleurd glas. Veel winkels hebben uitbundige neonreclame op de vaak verveloze gevel. De winkeliers staan buiten voor hun winkeldeur te wachten op klandizie.
De kleding van de lokale bevolking werkt soms op mijn lachspieren. Mao-pakjes dragen ze niet meer in de stad, maar je kunt je afvragen of de quasi-westerse stijl een verbetering vormt. De vrouwen dragen sinds kort minirokjes, maar ook nog steeds de tamelijk korte kousen zodat onder de rokjes nog een stukje witte dij zichtbaar is. Zo moet je in Europa gaan rondlopen. De mensen zien er overwegend wel schoon uit en dat is een hele prestatie in deze door stof en smog geteisterde stad.
De drukte op straat is een verschrikking. Het verkeer schuift onafgebroken in een eindeloze file langs en iedereen toetert of belt. Ik wilde dat ik deze reis een paar jaar geleden had gemaakt, toe auto's nog een zeldzaamheid waren in China. Nu lijkt het wel of iedereen zich een auto kan veroorloven. Dat is wel niet zo, maar door het enorme aantal inwoners, meer dan anderhalf miljoen, vertegenwoordigt de minderheid van automobilisten toch nog een indrukwekkend grote groep.
Heel Ürümqi is een continu toeterende verkeersopstopping, met auto's (vooral taxi's), bussen, vrachtwagens, gemotoriseerde driewielers en motorfietsen. Zelfs de trottoirs zijn niet veilig. Ongeveer één meter twintig hoge hekken moeten de voetgangers beschermen. Ze zorgen ervoor dat de weg alleen bij oversteekplaatsen betreden kan worden. Maar die voorziening biedt weinig garanties voor de veiligheid. Auto's die moeten laden en lossen of gewoon een parkeerplaats zoeken draaien zonder probleem bij de zebra het trottoir op om zich vervolgens luid toeterend een weg door de voetgangersstroom te banen.
Ik ben nog maar een uur in Ürümqi, maar de stad begint mij nu al op mijn zenuwen te werken. Het ruikt vies op straat, naar een soort mengsel van benzine, verbrande motorolie en stof. Bovendien is het ondraaglijk heet. Alleen in de schaduw is het nog enigszins om uit te houden. De laatste plassen zijn inmiddels opgedroogd en de zon staat vrijwel loodrecht boven mijn hoofd aan de vaalblauwe hemel te branden. Schaduw is helaas zeldzaam. Er zijn wel bomen, maar die zijn nog erg jong en hebben nauwelijks bladeren. De trottoirs zijn vol mensen die allemaal met een verschillend tempo en vaak in verschillende richtingen door elkaar lopen. Een extra hindernis vormen de vele op de stoep geparkeerde auto's, de marktkraampjes en kiosken.
Op weg naar de 910 meter hoge Hongshan-heuvel, die vanaf het hotel al te zien is, passeer ik het Holiday Inn. Het lijkt mij een goede gelegenheid om alvast mijn treinkaartje op te halen. Ik heb de voucher bij mij.
Na een stevige wandeling langs de rivier kom ik bij het Holiday Inn aan. De CITS blijkt in een gebouw ernaast te zitten. Ik ga er naar binnen, maar word direct teleurgesteld. Niemand weet iets. Ik wordt naar de vierde verdieping gestuurd en daarvandaan verwijst men mij weer naar de tweede. Gelukkig heb ik leren tellen in het Chinees. Op de tweede verdieping hoor ik dat er niemand van de CITS aanwezig is en dat ik over twee uur maar eens terug moet komen.
Ik heb nog geen Chinees geld, dus ik vraag of ik dat kan wisselen. Dat blijkt ook niet te kunnen. Er is wel een wisselbalie in het Holiday Inn, maar die gaat pas vanmiddag om vier uur open. Ik zit vrijwel zonder Chinees geld.
Ik besluit mijn tocht naar het Hongshan-park voort te zetten. Dit ligt op een heuvel die bijna driehonderd meter boven de stad uitsteekt en bekroond wordt door de Hong Ding Shan Ta (Grote Rode Heuvel Pagode), een pagode van negen verdiepingen die gebouwd is tijdens de Tang-dynastie.
Als ik het park bereikt heb word ik naar een loketje verwezen waar ik voor twee yuan een kaartje moet kopen. Mijn geld, dat ik via de Chinees in de trein gekregen had, is er nu bijna doorheen. In het park, dat overigens fraai aangelegd is en in vergelijking met de stad een oase van rust vormt, wandel ik langs Chinese gebouwen die eruit zien alsof ze voor toeristen zijn gebouwd. Het zijn waarschijnlijk lelijke restauraties van de oorspronkelijke - tijdens de Culturele Revolutie in puin geslagen - gebouwen.
Boven bij de pagode kom ik zowaar Gert en Kees weer tegen. We maken een praatjes en gaan dan weer ieder onze eigen weg. Zij zijn van plan om na Ürümqi naar Turpan te gaan en vandaar via Xi'an naar het zuiden. Beijing laten zij links liggen.
Ik zoek een plekje in de schaduw op langs een grote vijver in het park. Onderweg naar beneden volgde ik een pad langs diverse bezienswaardigheden waaronder een plein met de Chinese sterrenbeelden en een in steen gehakte kalender waaruit mensen hun sterrenbeeld volgens de Chinese astrologie kunnen afleiden.
Ook zie ik een in traditionele kledij uitgedoste Chinese dame die driftig gefotografeerd wordt door een man die waarschijnlijk een beroepsfotograaf is. Al is dat niet aan zijn apparatuur te zien. Voordat ik een foto kan maken is de fraai geklede dame al weer verdwenen.
Ik stap maar weer eens op, inmiddels vrijwel uitgedroogd door de grote hitte en droge lucht. Geld heb ik bijna niet meer, maar toch nog net genoeg om een blikje echte Coca Cola te kopen. Niet verstandig met deze hitte, maar wel erg lekker.
Even buiten het park is een soort markt. Het zijn eigenlijk allemaal kleine restaurantjes waar je zelf kebab kunt roosteren boven een van de vele barbecues. Het lukt mij met moeite om mij een weg te banen tussen de enorm om klanten verlegen horecaondernemers.
Afwisselend word ik met 'hello' of 'change money?' begroet. Lijk ik op een wandelende zak dollars? Ik moet ze teleurstellen. Ik heb voor duizend dollar aan traveller cheques bij mij, maar ik heb er niets aan. Ik blijf beleefd als men mij voor de twintigste keer vraagt of ik geld wil wisselen.
Als ik bij het wisselkantoor van de Holiday Inn aankom, is de verantwoordelijke functionaris inmiddels gearriveerd. Hij weigert echter mijn cheques te accepteren. In moeizaam Engels legt hij uit dat hij geen Forreign Exchange Certificates heeft, het door de Chinezen ingevoerde toeristengeld waar je als buitenlander verplicht bent mee te betalen. Hij verwijst mij door naar de Bank of China. Daar hebben ze wel FEC's zegt hij. Ik kan hem niet overhalen. Nederlands geld wil hij ook niet.
Bij de CITS heb ik niet veel meer succes. De beambte kijkt nieuwsgierig naar mijn voucher maar begrijpt niet wat hij er mee aanmoet. Ik leg hem geduldig uit dat er een treinkaartje voor mij klaar moet liggen, maar hij blijft beweren dat hij van niets weet. Discussie heeft geen zin. Ik ga proberen of het aanbod van de receptioniste van mijn hotel nog geldt.
Buiten lijkt het alsof het alsmaar heter wordt. Voordat ik naar het hotel ga, wil ik proberen om geld te wisselen bij de Bank of China, de enige instelling waar ik traveller cheques in geld kan omwisselen.
Met de kaart uit de reisbijbel in de hand lijkt het eenvoudig om de bank te vinden, maar ik kom er geen wijs uit. De straten corresponderen niet met het patroon op de plattegrond en al snel heb ik geen idee meer waar ik ben.
Ik vraag aan voorbijgangers of zij weten waar de Bank of China is. Ik laat ze de Chinese zin in mijn Berlitz-boekje lezen, maar ze weten het niet. Ze hebben nog nooit van de Bank of China gehoord en begrijpen niet wat die vreemde buitenlander nu wil. Anderen snappen het wel en doen hun best om mij uit te leggen hoe er komen moet, maar mijn kennis van het Chinees is niet toereikend om hun verhaal te kunnen volgen. Ik loop maar in de richting die zij aanwijzen en vraag het op iedere hoek opnieuw.
Ook de toeristenkaart van de CITS lijkt niet te kloppen. Of ik ben gek. Ik loop uit te drogen met duizend dollar op zak en ik kan nog geen flesje drinken van een dubbeltje betalen.
Na veel omzwervingen kom ik bij een postkantoor uit. Meer een soort telecommunicatiekantoor eigenlijk. Ik kan daarvandaan bellen als ik wil, maar dan moet ik natuurlijk wel eerst geld hebben. Het meisje achter de balie spreekt Engels en zegt dat het kantoor tot half twaalf vanavond (Beijing-tijd) open is. Ze legt mij ook uit waar de bank is. Ik begrijp niet direct wat zij bedoelt, maar haar uitleg blijkt achteraf juist geweest te zijn. Na ongeveer een kwartier lopen zie een groot gebouw met in neonletters 'Bank of China' langs de gevel. Voor de deur krioelt het van de zwarthandelaren die dollars willen wisselen. Het kost mij moeite om naar binnen te gaan. Ellebogend moet ik mij door de horde 'change money', 'dollars' en 'FEC' roepende menigte worstelen. Ik hoop dat ze de cheques aannemen.
Het valt mee. Op vertoon van een Thomas Cook-cheque word ik naar een van de achterste loketten gestuurd waar ik meteen aan de beurt ben. De beambte neemt mijn cheque, paspoort en inwisselbewijs aan en loopt naar achteren. Alles wordt uitvoerig gecontroleerd en uiteindelijk wordt tergend langzaam het geld uitgeteld. Kleurige, nieuwe biljetten met toeristische attracties als afbeelding. Het lijkt net monopoly-geld.
Buiten word ik opnieuw bestormd. 'Change money, change money, dollars, FEC', schreeuwen de handelaren. Ik schud ze eerst af omdat ik maar met één man tegelijk zaken wil doen. Een jongen vraagt in gebrekkig Engels of ik dollars heb. Ik laat hem een biljet van 100 FEC zien. Hij pakt zijn rekenmachine en tikt 100 in. Ik schud nee en pak het apparaatje van hem over. 140 tik ik in. Ik heb natuurlijk niet het flauwste idee wat de werkelijke 'marktwaarde' van het toeristengeld is. In ieder geval geen 140, want de handelaar loopt hoofdschuddend weg. Een ander wil 130 bieden, maar ik heb een intiütief gevoel dat dat nog steeds te weinig is. Er moet onderhandelruimte blijven bestaan, dus ze beginnen altijd onder de werkelijke koers. 140 zeg ik weer. Uiteindelijk gaat hij met 137 akkoord. Hij telt snel het geld uit, terwijl hij schichtig om zich heen kijkt. De overige handelaars zijn alweer met andere klanten bezig.
Het is te hopen dat ik goed geld heb gekregen, want hoe herken ik een vervalsing? Twee yuan van de buit klopt in ieder geval, want die wissel ik in voor een grote fles Chinees bier die ik bijna achter elkaar soldaat maak. Zes uur Ürümqi heeft mij volkomen uitgedroogd. Nu ik eenmaal Chinees geld heb, voel ik mij schatrijk. Ik loop met minstens drie maandsalarissen op zak. Voor Chinese begrippen dan, want het is maar zo'n honderd dollar. Ongeveer tachtig euro.
Het volksgeld ziet er een stuk minder mooi uit dan het toeristengeld. Niet alleen is het meer gebruikt, ook de afbeeldingen zijn minder aantrekkelijk. In plaats van toeristische attracties stellen de afbeeldingen idealen van de socialistische maatschappij voor. Tractors, fabrieken, vrachtschepen en gelukkige arbeiders en boeren.
Na een tijdje kom ik terug in het hotel na een lange wandeling door de Islamitische wijken van de stad. Ik informeer bij de receptie naar mijn treinkaartje, maar ze sturen mij door naar een ander gebouwtje naast het hotel. Daar is een klein bijkantoor van de CITS. Daar vertelt men mij dat ik in het Holiday Inn mijn kaartje kan ophalen. Ja, dat heb ik vaker gehoord, maar ditmaal neem ik geen genoegen met dat advies. Ik leg uit dat ik al in het Holiday Inn geweest ben en dat men daar volgens mij nog nooit van treinkaartjes heeft gehoord. De beambte pakt de telefoon en belt zijn chef in het Holiday Inn. Er volgt een onverstaanbaar geratel, maar ik kan van het gezicht van de beambte aflezen wat de strekking van het gesprek is. Ik dacht het al. Mijn kaartje ligt klaar, in het Holiday Inn. Voor achten moet ik het ophalen.
Ditmaal pak ik de bus, want het is een eind lopen naar het Holiday Inn en ik ben bekaf. Bovendien is het nog steeds zo heet. Na een paar haltes ben ik er en ga ik naar de tweede verdieping van het nieuwe CITS-kantoor. Een wat oudere Chinees schudt mij de hand en verontschuldigt zich voor het misverstand. Ik verwacht nu mijn kaartje te krijgen, maar nee, de bureaucratische molen is nog niet uitgedraaid. De chef vraagt een betalingsbewijs. Althans, dat maak ik op uit zijn matige Engels. Ik leg uit dat er betaald is en dat als hij het niet gelooft, hij maar naar Nederland moet bellen. Het lijkt hem echter makkelijker om zijn baas in Beijing te bellen. Die vertelt hem dat het in orde is. Dat is het voordeel van bureaucratie. Er is altijd wel een chef die het wél weet. Ik krijg een onduidelijk biljet waar gelukkig in normale cijfers het treinnummer en de vertrektijd op staan. De chef biedt nogmaals zijn excuses aan en wenst mij een 'plesant stay' in China. Dan zal ik niet te veel met de CITS te maken moeten krijgen, zeg ik in gedachte.
Terug in het hotel besluit ik een poging te wagen om Diana te bellen. Het moet in Nederland nu ongeveer elf uur in de ochtend zijn, dus het zal wel lukken. Het telecommunicatiekantoor is echter tot mijn verrassing gesloten. Dan moet ik het maar vanuit het hotel proberen. Dat zal wel niet goedkoop zijn, maar het is het me wel waard.
Het CITS-kantoor stuurt mij naar de receptie van het hotel en daarvandaan word ik weer terug naar de CITS gestuurd. Daar vertelt men weer dat ik in het hotel een telefoonbonnetje moet halen. Ik word er gek van. Eindelijk kan ik dan bellen, voor 29 yuan (3 euro) per minuut. Op een gewoon telefoontoestel in het bijkantoor van de CITS. Ik draai gespannen het nummer en hoor na ongeveer een halve minuut stilte een ingesprektoon. Weer proberen. Na tien minuten gaat eindelijk de telefoon over. Ik heb verbinding met Nederland. Dan wordt opgenomen en hoor ik door het oorverdovende gekraak heel zwak de stem van Diana. Het geeft mij een heel vreemd gevoel. Ik krijg er een brok van in mijn keel. Het is net alsof ik met een andere wereld praat. Zo klinkt het ook. Door het gekraak schreeuw ik 'met Vincent, ik ben in China'. Vaag hoor ik haar vragen hoe het gaat. Het lijkt alsof zij net een te grote hap brood naar binnen werkt. Ik kijk intussen naar mijn horloge en zie dat de minuut bijna om is. Ik zeg dat ik nog wel zal bellen en verbreek direct de verbinding. De minuut was snel om. Diana moet helemaal verrast zijn geweest, want ze vergat mij zelfs te feliciteren.
De rekening is gruwelijk hoog. Zestig yuan in FEC. Dat is ongeveer negen euro. Ik had collect moeten bellen, maar ik weet niet hoe dat moet en of Diana's baas dat accepteert. Na dit primitieve contact met de beschaving thuis, loop ik geëmotioneerd naar mijn kamer om een frisse douche te nemen. Het is inmiddels negen uur Chinese tijd en ik voel dat ik aan mijn laatste energiereserves ben toegekomen. Morgen zal het wel weer een zware dag worden, want ik ben niet naar China gekomen om te slapen.
Maar voor het slapen gaan besluit ik eens goed te gaan eten. Dat heb ik dagen niet gedaan en ik heb nu geld om een redelijke maaltijd te betalen.
Het hotel heeft een restaurant, op de veertiende en bovenste etage. Als ik binnen kom, zit er geen kip. Er loopt alleen wat personeel rond. De serveerster kijkt heel vreemd als ik haar in het Chinees vraag of ik nog iets kan eten. Ik hoop niet dat ik onbedoeld iets smerigs gezegd heb, want ze trekt een gezicht alsof ze in grote verlegenheid is gebracht. Ze laten zich niet kennen. Een klant, dat is een hele bijzondere gebeurtenis. Ik krijg direct een menukaart en ze blijven mij met zes ogen aanstaren terwijl ik wijs probeer te worden uit de Chinese karakters op de kaart. Op goed geluk wijs ik een gerecht aan. Ik verwacht er eigenlijk niet veel van. Maar toch valt het mee. De serveerster begint de tafel te dekken en geeft mij een schaaltje ei, een schaaltje tofu, salade, iets wat op vlees lijkt, mihoen en een schaaltje komkommer. Ik mag het wegspoelen met thee en een fles Chinees bier.
Mijn dorst is al snel verzadigd, maar ze blijven thee bijvullen. Iedere keer als mijn kopje bijna leeg is, komt het meisje naar voren en schenkt zij opnieuw in. Intussen blijven de drie bediendes mij geïnteresseerd gadeslaan. Zo'n westerse barbaar. Dat moet wel heel grappig zijn.
Het meisje gaat na enige aarzeling in op mijn verzoek om bij mij aan tafel te komen zitten. Ze kijkt mij verlegen aan en houdt voorzichtig afstand, alsof ik haar ieder moment naar de keel kan vliegen. Ze probeert heel voorzichtig een paar woorden Engels. Haar buitenlandse vocabulaire omvat ongeveer tien woorden, en hoewel mijn Chinees beter is, begrijpen we weinig van elkaar. Ik vind het wel grappig. Ondanks de verschillende talen is na een tijdje toch enige communicatie mogelijk. Door heel goed op elkaar te letten en gebruik van nadrukkelijke mimiek.
Intussen blijven de anderen eten aanvoeren. Ik bied het meisje wat aan, maar ze weigert beleefd. Zelf heb ik niet veel trek meer, en als ze voor de zoveelste keer met een schaal komen dek ik met mijn handen mijn bord af en zeg ik 'ennough'. Het meisje loopt weer naar haar collega's en met zijn drieën staan ze mij weer aan te staren. Het begint mij een beetje om mijn zenuwen te werken. Dan komt de rekening. 35 FEC. Voor Chinese begrippen is dat veel geld. Bovendien mag ik niet met het voordeligere volksgeld betalen. Dat geeft een probleem, want ik heb maar tien FEC bij mij. Ik heb wel voldoende volksgeld om de rekening te betalen. De cheffin komt erbij en zij belt naar beneden, naar de manager. Het is goed, maar ik moet tien yuan extra betalen als ik met volksgeld wil afrekenen. Ik troost mij met de gedachte dat ik in ieder geval een goede maaltijd heb gegeten en weer lekker aangesterkt ben. Bovendien heb ik vanavond geleerd om niet in hotels op te bellen en er geen maaltijden te gebruiken. Voordat ik mijn bed instap neem ik nog een douche.
| Terug naar het menu | Naar de volgende dag. |