Zondag, 4 juli 1993

De trein rijdt door de steppen van oost Kazachstan als ik 's morgens door het lawaai van de conducteur gewekt wordt. Het is bijna half negen. Vanaf negen uur kunnen we ontbijten in de restauratiewagen, enkele wagons verderop in de trein.
Het was geen rustige nacht. Ik droomde van mijn dwaaltochten door Alma-Ata. Ik had de tijd uit het oog verloren en kon de stad niet meer verlaten. Toch voel ik mij redelijk uitgerust. Ik ga als eerste van ons kleine gezelschap naar het washok, waar intussen al enkele andere passagiers, Chinezen, op hun beurt staan te wachten. Gert, Kees en Carol hadden moeite met opstaan. Zij hadden beter geslapen dan ik.
Het is een heel eind lopen naar de restauratiewagen. Af en toe vraag ik een conductrice waar de restauratiewagen is door het Chinese woord voor eten op te noemen, 'Chifan'. Ik word steeds weer naar voren toe verwezen. Het valt mij op dat de hele trein nieuw en schoon is. Elke wagon heeft minstens twee man personeel dat er nauwlettend op toeziet dat de passagiers de trein met respect behandelen. Het personeel ziet er net zo netjes uit als de trein. Het is een heel verschil met de dikke Russische slons uit de trein naar Alma-Ata. In de restauratiewagen tref ik Gert en Kees aan. We bestellen een ontbijt waarvoor één dollar in rekening gebracht wordt. Toch typisch, in deze uithoek van de wereld wordt van buitenlanders alleen de Amerikaanse munt geaccepteerd. Gelukkig heb ik nog enkele beduimelde biljetjes bij mij.

De trein is vanochtend vroeg gestopt in Aktogay. Vandaar leidt de spoorlijn verder naar het noorden, naar Siberië. Onze trein maakte echter kop en reed een stukje terug om de zijtak naar de grensplaats Druzhba in te slaan. Vroeger was dat het eindpunt van deze lijn, maar dit jaar is eindelijk de aansluiting met het Chinese spoorwegnet opengesteld, waardoor een belangrijke verbinding tussen Kazachstan en China is ontstaan. Na het vertrek uit Aktogay viel ik weer in slaap.

Voor die ene dollar serveert de Chinese spoorwegmaatschappij bruin brood met worst en een bordje spaghetti met pittig gekruid vlees. Het is wel wat vettig allemaal, maar het smaakt niet slecht. De restauratiewagen is overigens de enige Russische wagon in de trein. De andere wagons zijn Chinees.
De trein rijdt verder door een saai, uitgestrekt steppelandschap. Zo ver als het oog reikt, is alleen lang, vaalbruin gras te zien. Dat gaat zo ongeveer twee uur door. Eindeloze grasvlakten. Geen dieren en al helemaal geen mensen. Zelfs vogels zijn in dit afgelegen deel van de wereld niet te zien.
Tot ineens bergen aan de oostelijke horizon verschijnen. Een gevoel van opwinding maakt zich van mij meester. Volgens mijn kaart liggen die nog maar wazig zichtbare bergen in China. Mijn reisdoel is in zicht! Ik laat Kees, Gert en Carol de kaart zien en wijs in de verte. "Als we het land niet inkomen, hebben we het in ieder geval wel gezien", zeg ik bij wijze van grap. Ik wist toen nog niet hoe moeilijk het zou worden om China in te komen.

Aan het einde van de steppen ligt een reusachtig meer. Het Alakolmeer, dat zo groot is dat de overzijde achter de horizon ligt. De spoorlijn loopt hier over een dijk tussen verschillende kleine meren en baaien in. Het zwarte water klotst tegen de kant.
Even stopt de trein en kan ik een foto maken van de uitgestrekte watervlakte. Dan komen we weer in beweging. De conducteur gebaart dat het raam dicht moet. Dit mocht vanmiddag open nadat de airconditioning was uitgeschakeld. Nu we de grens naderen is het echter afgelopen met uit het raam hangen en fotograferen. Vooral dat laatste. We moeten terug naar de couchettes en de gangdeuren mogen niet meer open. Gert, Kees, Carol en ik kijken elkaar verwonderd aan, nieuwsgierig naar wat komen zal. Door de luidsprekers van het intercomsysteem klinkt voor de derde maal 'An other brick in the wall' van Pink Floyd. Naast de spoorlijn loopt de Chinese grens, die beveiligd wordt met drie rijen prikkeldraad en wachttorens om de halve kilometer. Stiekem maak ik toch enkele foto's. De woestijn achter het prikkeldraad is China.
Grenswachten zie ik niet en ik kan ook niet zien of de wachttorens bemand zijn. Misschien liggen wel overal mijnen tussen de afrasteringen. Ik vraag mij af wie ze willen tegenhouden. Hier komt geen sterveling.

De trein rijdt ongeveer een uur lang met een slakkengang langs de grens. Al die tijd is buiten de trein geen mens te zien. Dan bereiken we het grensstation van Druzhba waar andere wielen onder de trein geplaatst worden. Dat duurt bijzonder lang. Eerst worden de wagons een aantal maal heen en weer gerangeerd, dan blijven we weer ruim een kwartier staan. Door de felle zon en de uitgeschakelde airconditioning wordt het snel warmer in de trein.
Na nog een paar keer heen en weer geschud te zijn wordt onze wagon op de vijzels geplaatst en langzaam omhoog getild. Hier gebeurt het wisselen van de wielen in de open lucht. Dat kan ook wel, want regen moet hier een bijzonder zeldzaam verschijnsel zijn. Om ons heen staan de sporen vol met wielstellen.

Nadat de wagon weer bijna onmerkbaar langzaam gezakt is wordt een diesellocomotief aangekoppeld, die ons naar het stationnetje terug brengt. We mogen de trein nog steeds niet verlaten, terwijl binnen de temperatuur de dertig graden al gepasseerd moet zijn.
Dan komt de douane aan boord. Het ziet er indrukwekkend uit. Het lijkt wel een razzia. Rond de trein hebben zwaar bewapende militairen zich opgesteld en binnen lopen de grenswachten schreeuwend om de paspoorten rond. We krijgen een in het Russisch opgesteld declaratieformulier waar we geen van vieren wijs uit worden. Ik pak mijn Engelstalige versie erbij en schrijf de gegevens over op het Russische biljet. Ik hoop dat de gegevens overeenstemmen, want ze lijken mij hier weinig begripvol.
Dan komt een onderofficier met het gezicht van een model-SS'er onze couchette binnen. Hij gaat tegenover mij zitten en vraagt of wij al ons geld tevoorschijn willen halen. Ik krijg een boos vermoeden dat dit een onderzoek naar het potentieel aan smeergeld betreft.
Alle cheques en bankbiljetten worden nauwkeurig geteld en vergeleken met de bedragen die op de declaratieformulieren zijn ingevuld. Ik krijg het spaansbenauwd. Ik heb nog wat roebels bij mij, de verfrommelde biljetjes die ik van Ludmila gekregen had. Die heb ik vanwege de onwaarschijnlijk lage waarde niet op het formulier ingevuld uit angst dat ik ze zou moeten afgeven.
Dan begint het gedonder. Carol had de strengheid van de lokale douane onderschat en veel te nonchalant haar declaratieformulier ingevuld. Zo was zij vergeten een tamelijk grote hoeveelheid Engelse ponden aan te geven. De onderofficier kijkt ons woedend aan, alsof wij een stel samenzweerders zijn en valt uit naar Carol. Hij roept er twee andere douaniers bij, die allen bij ons plaatsnemen in het krappe slaapcompartiment. Een lucht van transpiratie begint te overheersen. Ze kunnen ons zo van deze trein afhalen, realiseer ik mij, en ons een week in dit oord laten zitten.
Er volgt een uitgebreide ondervraging, waarbij vooral Carol het moet ontgelden. Gert, Kees en ik kijken elkaar aan en we lezen in elkaars ogen dat we allen zin hebben om hier bepaalde mensen door wurging naar de andere wereld te helpen. De douaniers eisen voor verder onderzoek dat alle bagage wordt geleegd. Dat is een ramp. Het kost enorm veel moeite om rugzakken efficiënt in te pakken, en straks zal dat allemaal opnieuw moeten gebeuren. Bovendien is er veel te weinig ruimte om alle spullen zo uit te stallen, dat onze bezittingen niet door elkaar raken.
De drie mannen doorzoeken alles grondig en maken elk doosje en elke verpakking open om te kijken of er geen geld in verstopt zit. Ik word nog zenuwachtiger als de man met het SS-gezicht overal onder begint te kijken. Ik had mijn geldtasje met daarin de roebels onder de zitting van de bank weggemoffeld. Als hij die vind zal ik heel wat om uit te leggen hebben. Gert, Kees en ik moeten de couchette verlaten en een vrouwelijke tolk gaat naar binnen. Het duurt een hele tijd en af en toe gaat de deur even open om een van de douaniers door te laten. Dan komt de SS-kop naar buiten. Hij kijkt met een gezicht van: 'wat moet je nou met dat buitenlandse tuig' en loopt naar de uitgang van de wagon. Carol heeft intussen slaande ruzie met de tolk. Ze mist twintig pond en verdenkt de douanier ervan ze achtergehouden te hebben. De onderofficier komt weer terug en we moeten weer de tassen legen, terwijl we ze net provisorisch weer hadden ingepakt. Er komen wat muntjes en metropenningen tevoorschijn uit het zijvak van mijn tas en de douanier kijkt mij vernietigend aan. "Roebels", bromt hij boos. Triomfantelijk haalt hij mijn declaratieformulier tevoorschijn. "Wo roebels", vraagt hij. Ik kijk onnozel naar het formulier. Wat had ik dan moeten invullen. Een bedrag van ongeveer zeven roebel. Dat is amper één cent! Dan begint hij te lachen en geeft de muntjes op een onbeschofte manier terug. Het declaratieformulier stopt hij weer in zijn zak.
Bij Gert, Kees, Carol en mij begint de irritatie gevaarlijke vormen aan te nemen. "We moeten er maar om lachen", zeg ik geruststellend. "Het hoort erbij in dit soort landen."
Na twee uur is het feest nog niet afgelopen. Terwijl we op de gang staan zien wij dat andere passagiers het minder moeilijk hebben. De douane heeft het voornamelijk op buitenlanders voorzien. Dat wil zeggen mensen die niet uit China of Kazachstan komen.
Er is blijkbaar nog tijd over want er komen weer drie kerels die met ons de couchette ingaan. Weer controle. Alle vakken van de rugtassen worden nagekeken. Ook de botertrommel van Kees moet open evenals al mijn plastic filmdoosjes. De batterijruimte van mijn zaklantaarn wordt nagekeken evenals al het andere waarin je iets zou kunnen verstoppen. We worden er gek van. Overigens worden we niet gefouilleerd. Dat valt mij mee.
Als de grenswachten de coupé even verlaten pak ik het geldtasje onder de bank verdaan en verstop ik de roebel-biljetjes in de dubbele bodem van mijn fototoesteltas. Die hadden ze al gecontroleerd.
Het is net op tijd, want daar komt de volgende ploeg met een zaklantaarn om de vloer te controleren. Ook de bagageplank wordt aan een nader onderzoek onderworpen en uiteindelijk gaan zelfs de plafondplaten eruit. Ze vinden niets. Dan komt nog een man met een herdershond binnen. Het beest moet alles met zijn neus naspeuren, maar ook die actie blijft zonder het door hen gewenste resultaat. Wij zijn het beu en wachten gelaten af wat nog meer komen zal. Inmiddels begint de zon de westelijke horizon te naderen.
Na vijf uur krijgen we onze paspoorten terug en mogen we de bagage weer inpakken. De grenswachten rijden nog een stukje mee met de trein die langzaam door een met vele rijen prikkeldraad afgerasterde corridor rijdt. Halverwege springen zij eraf. Ik hoop ze nooit meer terug te zien.
Terwijl we de grens passeren, schuif ik het raam van de coupe open om wat van de verkoelende avondlucht binnen te laten. Ik zie dat de corridor een grote lengte heeft, maar in de verte is het grensstation aan de Chinese zijde al zichtbaar.
Op het station hangt een onwaarschijnlijke sfeer. Een heldere vrouwenstem galmt ononderbroken onverstaanbare klanken over het perron en op het perron zelf staan Chinese douanebeambten in slagorde klaar om de trein te betreden. Het lijkt wel een socialistische modelkazerne. Terwijl we tot stilstand komen voel ik mij een generaal op inspectietocht. Zou de Chinese regering hier hun keurkorps gedetacheerd hebben?
Het station zelf is nieuw en blijkbaar gebouwd met de bedoeling om de reiziger een goede eerste indruk van China te geven. Behalve dat het station voor een uitgestorven uithoek als hier onwaarschijnlijk groot is, heeft men ook aan de architectuur de nodige aandacht besteed. Kleurige mozaïken verraden de Moorse invloeden in dit noordwestelijk deel van China. Terwijl de talrijke vaandels duidelijk maken dat we ons in een socialistische staat bevinden, waar vaderlandsliefde alleen door liefde voor de regering overtroffen mag worden. Het station aan de Russische kant dateerde uit 1960 en was veel soberder uitgevoerd. Het was dan ook 33 jaar lang een eindpunt gebleven, omdat rond de tijd van de bouw de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en China verslechterden en de Chinezen niet langer behoefte hadden aan een nieuwe verbinding tussen hun spoorwegnet en dat van de Sovjets. Nu de politieke situatie beter geworden is nemen economische belangen de overhand en is de Chinese regering er alsnog toe overgegaan om het ontbrekende traject tussen Ürümqi en de grens van Kazachstan aan te leggen. De nieuwe lijn speelt een belangrijke rol bij de export van de in de provincie Xinjiang rijkelijk aanwezige mineralen naar Rusland.

Terwijl de trein tot stilstand komt, schalt marsmuziek over het perron. Af en toe worden de schelle klanken onderbroken voor een riedel galmende woorden van de omroepster. Dan gaat het weer verder. In gedachte zie ik mij als bevrijder de grens over marcheren. Die gevoelens worden opgeroepen door de magische sfeer op dit vreemde station. Zit er soms een groot staatshoofd in deze trein? De marsmuziek schettert nog steeds als de deuren geopend worden en het Chinese keurkorps de trein binnenkomt.
Een vrouwelijke beambte glimlacht vriendelijk als ik haar met 'ní-hâo' begroet. Maar dan wordt het weer ernstiger. Het uitdelen van declaratieformulieren begint weer. In het Chinees ditmaal. Gelukkig staat er een Russische vertaling onder de karakters, dat maakt het een stuk eenvoudiger.
Het Engelstalige briefje lijkt in de verte niet op dit Chinese exemplaar en mijn Berlitz-boekje helpt mij ook niet verder. Ik ben blij als een Chinees uit een andere couchette zich in het Engels voorstelt en ons hulp aanbied bij het invullen van de formulieren. Een voor een worden de formulieren opgehaald. De beambte stamelt iets onverstaanbaars en wordt al snel ongeduldig als wij hem niet begrijpen. Zou hij weten dat buitenlanders een andere taal spreken? "Two dollar", zegt de buurman. Hij wil twee dollar van ons. Administratiekosten. Ik kijk verbaasd als hij keurig een kwitantie invult.
Dan komt een kleine, gedrongen Chinees de couchette binnen. Hij wijst naar de rugzak van Gert en gebaart dat hij de inhoud wil zien. Gert neemt niet meer de moeite om de zaak netjes uit te pakken en houdt de zak omgekeerd boven zijn bed. De Chinees bladert de boeken en kranten door op zoek naar verboden lectuur of vieze plaatjes. Weer wordt al het geld nageteld. We krijgen behoefte om een willekeurige vertegenwoordiger van het instituut douane de strot af te snijden om hem vervolgens volledig te fileren.
Het ophalen van de formulieren volgt weer. We staan inmiddels al weer twee uur in het Chinese station. De gedrongen Chinees begint te schreeuwen. Ik begrijp niet wat hij wil en geef hem het declaratieformulier. Dan barst hij helemaal van woede. Hij probeert het formulier uit mijn hand te slaan. Dat gaat mij iets te ver. Ik sta langzaam op en blijk anderhalve kop groter te zijn dan de Chinees. Ik kijk hem doordringend en woedend aan. Tot mijn verbazing lijkt deze vorm van intimidatie te werken. Hij biedt iets in en haalt de buurman erbij. "Dollars", zegt die weer. "Hij moet ook twee dollar." Daar gaan mijn laatste twee dollar. Nu ben ik dus blut. Ik heb alleen nog geld waar ik niets aan heb in deze trein. Als ze weer komen collecteren zal ik wel gearresteerd worden. De buurman zegt dat hij denkt dat het om een soort belasting gaat. Daar bouwen ze zulke mooie stations van. "Vroeger was dat niet zo", vervolgt hij. "Wij hebben nog nooit hoeven betalen om de grens over te komen." Buiten zie ik een soort handelscentrum in aanbouw. Ze lijken een complete stad rond dit afgelegen grensstation te gaan bouwen. Blijkbaar op kosten van de treinpassagiers.

De formaliteiten duren even lang als in Kazachstan, maar het gaat er minder onbeschoft aan toe. De gedrongen Chinees wilde ons aanvankelijk niet met rust laten, maar de komst van een oudere officier maakte een eind aan zijn getreiter. Hij werd weggestuurd en bleef ons vanaf een bankje aan het einde van het gangpad boos aanstaren, terwijl wij probeerden de humor van de situatie in te zien.
Buiten is het inmiddels donker geworden. Een paarse streep boven de westelijke horizon is het enige dat rest van deze intensieve dag. Vrij onverwachts komt de trein weer in beweging. We gaan nu echt China in. En we zijn zonder kleerscheuren de zwaarbewaakte grens gepasseerd! Carol bekent ons tot haar schaamte dat de twintig pond weer terecht zijn. Ze had zelf verkeerd geteld. We geven haar het advies om in het vervolg beter op te letten bij het invullen van de formulieren.

Ik kijk naar buiten en zie China. Hiervan heb ik jaren lang gedroomd. En nu lijkt het allemaal zo gewoon. Een eindeloze woestenij, bijna onzichtbaar door de duisternis. Ik besluit nog een hapje te gaan eten, nadat ik al mijn spullen weer netjes heb ingepakt. Het blijkt ditmaal een stuk verder te zijn. De Russische wagen is uit de trein gehaald en heeft plaats gemaakt voor een Chinese restauratiewagon. Deze is aan het begin van de trein geplaatst, direct achter de grote diesellocomotief.
Kees en Gert zitten al te eten. Met stokjes. Carol staat bij het buffet bier te bestellen. Dat bestellen gaat op de manier van de Chinese bureaucratie. Eerst moet je bij de kassa een gerecht uitkiezen van de Chinese menukaart. Dan volgt het onderhandelen over de prijs. Het meisje accepteert echter geen dollars. Ik had er nog een opgeduikeld tijdens het inpakken van mijn bagage, maar nu kan ik er niet mee betalen. Gelukkig zie ik mijn Engelstalige buurman zitten. Hij is bereid geld te wisselen en legt met behulp van een rekenmachine uit dat de koers acht yuan voor één dollar is. Ik vertrouw erop dat hij mij niet beduvelt en neem de Chinese biljetjes in ontvangst.
Het meisje blijft weigeren. Ze kijkt minachtend naar het plukje bankpapiertjes en maakt mij duidelijk dat het eenvoudigste gerecht al tien yuan kost. Voor dat geld krijg je een bordje gekruide komkommer. Mijn Chinese medepassagiers hebben lol in mijn gekunstelde discussie met het meisje en nodigen mij uit bij hen aan tafel te komen zitten. Gert, Kees, Carol en ik sluiten aan bij de Chinezen en we genieten gezamenlijk van een maaltijd die bestaat uit paardenvlees, schapenvlees met sterk gekruide komkommer en paprika en een bordje champions. Het smaakt prima.
De Chinezen kijken gefascineerd als ik de eetstokjes ter hand neem. Zij verwachten natuurlijk dat ik er niets van terecht zal brengen als domme, westerse barbaar, maar ik moet hen teleurstellen. Ik ben niet zo handig in het hanteren van de stokjes als de Chinezen, maar het lukt mij heel aardig om zonder knoeien mijn maaltijd naar binnen te werken.
Het bier wordt in flessen van ruim een halve liter verkocht en kost slechts twee yuan (45 cent). Als we de flessen leeg hebben is het inmiddels twee uur Chinese tijd. De reizigers verlaten een voor een de wagon en gaan terug naar hun slaapcompartiment. Kees en ik zijn echter nog niet moe genoeg en blijven nog wat kletsen. Hij vertelt mij dat hij kort voor zijn vertrek een vervelende gebeurtenis heeft meegemaakt. Een goede vriendin van hem is door een ongeval om het leven gekomen. Net voor zijn vertrek had hij de begrafenis bezocht.
We praten verder over werk en school. Kees woont in Julianadorp en werkt in een apotheek in de Amsterdamse Maasstraat. Dat is toevallig. Dat is vlak bij mijn ouderlijk huis. Rond half drie gaan we slapen. De trein dreunt verder met een vaartje van zestig kilometer per uur. De uitgestrekte woestenij wordt vaal verlicht door de volle maan die laag boven de zuidelijke horizon staat.

Terug naar de wereldkaartNaar de volgende dag.