Woensdag, 30 juni 1993

Het is acht uur Moskou-tijd als ik bij het ontwaken op mijn horloge kijk. In werkelijkheid zal het wel tien uur zijn of zo. Ik heb geen idee in welke tijdzone we zitten en stationsklokken kennen ze in deze streken niet meer. Ik probeer nog even te slapen, want het landschap is nauwelijks interessant genoeg om voor wakker te blijven. Eindeloze grasvlakten met hier en daar een plukje bomen. De stadjes die de trein passeert, doen nog erg Russisch aan, hoewel de grote, lelijke woonkazernes in de buitenwijken ontbreken. In dit deel van de voormalige Sovjet-Unie bouwen de mensen zelf hun huis. Er is ruimte zat.

Koersbord De steden komen steeds verder uit elkaar te liggen. Als we in Ozbrodnyy een langere stop maken, ga ik lekker even de benen strekken. Mijn spieren zijn stijf geworden na de onrustige nacht in de oncomfortabele couchette. Ik mag van geluk spreken dat de bedden wel net lang genoeg zijn om mijn benen te kunnen strekken. Ik ben benieuwd hoe dat in China zal gaan, waar de gemiddelde lengte van de mens een stuk kleiner is dan in Europa.
Volgens Arthur komen we straks in Aktyubinsk aan, een grote stad. Hij waarschuwt nog maar eens voor dieven op de trein. "Menschen no good", zegt hij en hij doelt op de Kazachstani die langzamerhand de meerderheid onder de passagiers beginnen te vormen. We moeten van Arthur goed op de spullen passen en de couchette mag niet meer onbemand blijven. Om beurten verlaten we de trein om even rond te kijken en op het perron eten te kopen. Er staan kiosken op het perron waar een fles wodka minder kost dan een fles Coca Cola.
Het begint er steeds oosterser uit te zien. Zowel de omgeving als de mensen die in deze streek typisch Aziatische trekken hebben. Er wordt druk gehandeld bij de stalletjes langs het perron. Met alle elektronica goed opgeborgen achter een berg kleding op de bagageplank, waag ik een wat langere wandeling over het station van Aktyubinsk. Het verbaast mij dat ik als westerling zo weinig aandacht trek. Zou ik nu echt op een Rus beginnen te lijken? Vrouwen met hoofddoekjes om lopen met gedroogde vis en een soort gevulde flensjes te leuren. Zij bereiden dat voedsel zelf en hebben de passagiers van de doorgaande treinen als enige klant. De trein naar Alma-Ata zal wel de belangrijkste zijn.

Trein Dan gaat het weer verder. Over een eindeloze, bochtige spoorweg zonder bovenleiding, met aan weerskanten een klassiek telegraafnet. Ik verbaas mij over de bochten door dit volkomen vlakke en lege land. Zouden de rechte delen op geweest zijn of is dit tegen de verveling van de machinist?
Er staat een kameel langs het spoor. Geen dromedaris, maar een echte harige kameel, met twee bulten die slap over zijn rug hangen. Het is een jong dier. Verderop staan twee oudere exemplaren. "Foto, foto", roept Arthur weer. Ik zeg "njet, später, in Dzhambul". "In Dzhambul kein camels", zegt Arthur. "Njet in Dzhambul, njet in Alma-Ata." Dan maar geen foto van een kameel. Ik heb mij voorgenomen zuiniger aan te gaan doen met het fotomateriaal, want straks is het op. Ik ben al met het vierde rolletje bezig en het mooiste en interessantste van de reis moet nog komen.

Station De volgende stad is Alga. Een vlekje op de kaart, maar toch belangrijk genoeg om trein nr. 8 er te laten stoppen. Weer een complete markt langs het spoor. Weer even de benen strekken en de spieren spannen. Je wordt stijf en stram van zo'n reis. We zijn iets ten zuiden van de Nederlandse breedtegraad gekomen, maar de atmosfeer doet aan het verre zuiden denken. Het is drukkend warm, licht bewolkt en het zonlicht werpt een oogverblindende gloed over het betonnen perron. Ik heb geen idee hoe laat het is. Mijn horloge staat nog op kwart voor twee. Maar het kan best al kwart voor vijf zijn. Nergens hangt een klok op dit station, zelfs niet in het stationsgebouw zelf. Blijkbaar is niemand hier geïnteresseerd in de tijd en ziet men wel wanneer de trein komt. Dat is ook maar beter zo. Want voor de trein naar Alma-Ata hoef je je niet te haasten. De machinist doet geen enkele poging om de bij de Wolga opgelopen vertraging in te lopen.

Arthur heeft veel interesse in mijn moderne horloge. Hij vraagt mij of ik het met zijn Russische uurwerkje wil ruilen. Maar ik voel er weinig voor, ik zou dan al snel vergeten welke datum en zelfs welke dag het is, want dat geeft zijn horloge niet aan. Later zou ik spijt krijgen van dit besluit, want mijn eigen horloge was niet op de zware omstandigheden van deze reis berekend.

Verweggistan op zijn smalst. De locomotief wordt door een imposant driespan vervangen. Een krachtig trekpaard dat bij het aanzetten ongeveer evenveel rook produceert als de gemiddelde hoogoven. Ik begrijp niet hoe ze erin slagen om met wat dieselolie zoveel luchtvervuiling te veroorzaken, maar misschien stoppen ze wel iets anders in de tank. In de couchette krijgen we gezelschap van twee Russisch sprekende Chinezen, die ook Mandarijn spreken. Dat is leuk, want nu kan ik alvast wat oefenen voor straks. Dan weet ik meteen of mijn twee jaar avondschool nog zin heeft gehad.
Helaas versta ik vrijwel geen woord van het Mandarijn, waarop de twee lachend weer overschakelen op Russisch. Arthur vertaalt hun woorden zo goed als kan in het Duits. Voor iemand die zes jaar in Duitsland gelegerd is geweest en bovendien met een Duitse vrouw is getrouwd, spreekt hij maar magertjes Duits, maar het is beter dan niets en dankzij hem kan ik nog iets van het Russische gebrabbel volgen.

De Chinees die het meeste praat, rookt en drinkt stelt zich voor als Deng Da Hou, wij noemen hem voor de grap Deng Xiou Ping, naar de machtigste man van China. Hij lijkt ook wel een beetje op de dikke, gedrongen voormalige regeringsleider met zijn pretoogjes.

De steppen zijn eindeloos. Gras, gras en gras. Geen huizen, geen mensen, geen dieren, geen bomen, alleen gras, een spoorlijn en een lange trein op weg naar Alma-Ata. Kazachstan is leeg en verschrikkelijk groot. Waarom leven we in Nederland eigenlijk op een kluitje? Waarom betalen we in Nederland 400 euro voor een vierkante meter bouwgrond. Voor dat geld kun je hier zoveel grond kopen, dat je er in geen dag omheen kunt lopen. En als je erop wil bouwen, zal niemand je een strobreed in de weg leggen.

Het is inmiddels woensdagmiddag. De zesde dag van mijn reis. Het is tien voor half een in Nederland. Hier, even ten noorden van het reusachtige Aralmeer, zal het half vijf of half zes zijn. Het wordt elke avond eerder donker en ook nu neigt de zon al weer naar de westelijke horizon. Ik heb nog een kleine twee dagen te gaan, dan zit het langste traject zonder overstap erop.
Ik wil andere mensen straks in China niet horen zeuren als we zo'n twintig uur in een trein moeten zitten. Dat is een kort, onbeduidend ritje in vergelijking met het traject Moskou - Alma-Ata. Hopelijk houdt mijn schootcomputertje het uit al die dagen, want ik tik heel wat af. En gelegenheid om de accu op te laden is er nauwelijks. Alleen op de gang is een stopcontact, maar daar staat geen spanning op. En het demonteren van het ene bedlampje om mijn accu op te laden vind ik toch iets te ver gaan. Hopelijk kan ik in Alma-Ata weer over 220V beschikken. Anders heb ik altijd mijn schrijfblok nog bij mij.

Een grote roofvogel stijgt op van de graslanden en daalt neer op een van de langs de spoorweg gespannen telegraafdraden. Ondanks de vlakte blijft de spoorlijn bochtig. Af en toe remt de trein af om al te slechte delen van de lijn zonder gevaar voor ontsporing te kunnen passeren.
Al bijna een etmaal rijden we door Kazachstan. Het landschap varieert bijna niet. Meestal bestaat het uit vaal groen grasland dat in een schakering van donkerblauw overgaat in het strakke azuurblauw van de wolkenloze hemel. We zitten nog niet ver in het zuiden, maar de hete woestijnwind geeft de indruk alsof we minstens ergens in Saoudi-Arabië zitten. De mensen ook. We zien nu echte Kazachen op de stations. Deze mensen houden het midden tussen Arabieren, Chinezen en Indiërs. De Russen hadden nog een gewoon Europees voorkomen. Ook de witte huisjes met hun blauwe houtwerk doen aan het oosten denken. Het lijkt wel Tunesië. Nu zijn we pas echt in het buitenland!

Ik begin mij aan Dimitri te ergeren. De hele dag zegt hij nagenoeg niets en is zijn gezicht bevroren in een nietszeggende grijns. Hij heeft een radio tevoorschijn gehaald die bewijst dat Russen geen radiocassetterecorders kunnen maken. Het onregelmatige bandje maakt een afschuwelijk geluid. Als Dimitri in slaap gevallen is, zet ik voorzichtig het bandje af.

Na twee etmalen raak je zelfs met je beste vrienden uitgesproken. Ook Arthur en ik hebben elkaar niet zoveel meer te vertellen. Het aantal stations, die nog voor de nodige afleiding konden zorgen, neemt af naarmate we verder naar het zuidoosten rijden. Over ongeveer een etmaal zullen Arthur en Dimitri op hun eindbestemming, Dzhambul, zijn. Hopelijk komen er voor hen geen andere passagiers meer in de plaats op die laatste vijfhonderd kilometer van deze marathontreinreis.

De kwaliteit van het spoor begint mij de keel uit te hangen. Ik begrijp niet hoe de treinwagons dit kunnen overleven. Het zal best een klus geweest zijn om hier rails aan te leggen en dat zal ook zonder twijfel door niet-vakkundig opgeleide Sovjetslaven zijn gebeurd, maar als ik voor de zoveelste keer gelanceerd wordt en flink mijn hoofd stoot vind ik het eigenlijk wel genoeg geweest. Ik vraag mij af hoeveel ongelukken hier gebeuren. Ongelukken die niet in de buitenwereld bekend worden, als geen buitenlandse passagiers meereizen.

Drinken zonder te morsen is onmogelijk in de trein naar Alma-Ata. Net als een glas is ingeschonken krijgt de wagon weer een geweldige slinger en kunnen we de limonade of wodka van het tafeltje oplikken. Alleen als de trein stil staat, kan op een beschaafde manier een drankje worden genuttigd. Maar de trein stopt niet veel meer.

Net als in alle landen is op de wc-deur een bordje geschroefd met daarop het verzoek om tijdens stilstand van de trein geen gebruik van het toilet te maken. Het is natuurlijk in het Russisch opgeschreven, maar ik begrijp de strekking. Het enige probleem is dat stilstand van de trein de enige kans biedt om de behoefte op zo'n manier te doen dat de productie in het gat belandt en niet langs je enkels naar beneden stroomt.
Het is overigens geen pretje om in deze trein naar het toilet te gaan. De enige schoonmaakwerkzaamheden worden door bacteriën uitgevoerd. In andere wagons is het niet veel beter. Om op een redelijk hygiënische manier de ontlasting kwijt te raken is de nodige acrobatiek vereist. De beste methode is door met schoenen aan gehurkt op de rand van de pot te gaan zitten. Tijdens het rijden is dat bijna onmogelijk omdat je door het geslinger van de wagon beslist van de rand af sodemietert.
Je moet tijdens de stoelgang ook aan iets anders proberen te denken, anders is de walgelijke lucht niet om uit te houden. Ik dacht aan wandeltochten in China, terwijl de volgende toiletganger al weer aan de deurkruk stond te rukken.

We komen in Aralsk aan, aan de noordoostzijde van het Aralskmeer dat even groot is als Nederland. Omdat we hier maar drie minuten stoppen, mogen we van de treinkenau de wagon niet verlaten. Wel weet een klein leger van in Kazachse dracht gestoken vrouwen de trein te bestormen. Met hun armen vol kleedjes en doeken gaan zij de hele, drieëntwintig wagons tellende, trein door. "Teppichte. Njet, spasiebe", krijsen zij. De zon is inmiddels ondergegaan. Het is kwart over zes Nederlandse tijd. Hier vier of vijf uur later. Ook in Aralsk is geen stationsklok. Nergens in dit deel van het Gemene Best van Onafhankelijke Staten is men op de stations in de tijd geïnteresseerd.

Naast de rails ligt een klein dorpje. Een paar haveloze krotten in de late schemering onder een purper vlammende hemel. Vier vrienden dansen door het stof en gaan elkaar speels met een soort kung fu te lijf. Er wordt hard gelachen. Aan de rand van de gemeente staat een eenzame kameel.
Het landschap bestaat uit stug, kleurloos gras met hier en daar wat zoutmeren die overgebleven zijn van het tijdens de zomer op deze plaats verdampte deel van het Aralmeer. In de verte zie ik een ruig gebergte. Paars van kleur in het licht van de avond.

Na de zonsondergang wordt het snel donker. We hebben het noorden met zijn lange schemering achter ons gelaten. Ik vraag hoe lang Arthur en zijn broer al van de colahandel leven. "Sinds het mag. Al zo'n drie jaar", antwoordt hij. Ik vertel Arthur wat ik voor mijn kaartje kwijt was, maar dat kan hij nauwelijks geloven. Voor dat geld reist hij het hele jaar heen en weer. Als ik vertel dat ik verplicht was om via Intourist te boeken, snapt hij het. "Viel zu teuer", zegt hij in het Duits. Ik vertel niet wat ik per maand verdien.
Arthur zegt dat hij over een paar jaar naar Duitsland wil verhuizen. Met zijn vrouw die hij in Wiesmar heeft leren kennen. Hij toont mij een tatoeage op zijn rechter bovenarm. Die had hij in zijn legertijd laten aanbrengen.

De reis gaat verder. Heel laat in de avond komen er nieuwe passagiers aan boord. Een klein gezin neemt plaats in onze couchette, hoewel er maar één bed vrij is. Ik hoor van Arthur dat zij maar vier uur met deze trein meereizen. Wagons met zitplaatsen zijn er niet. De vader, een oude Kazach, neemt het lege bed in beslag. Vrouw en kinderen zitten op de rand. Ze blijven ononderbroken doorpraten, waardoor het mij moeite kost om in slaap te vallen. Uiteindelijk lukt het dan. Het licht blijft branden tot we in Kzyl Orda aankomen, waar het gezin de trein weer verlaat. De nacht is al over de helft als ik eindelijk echt in slaap val.

Terug naar het menuNaar de volgende dag.