China was mijn eerste echte verre reis. 24 juni 1993 vertrok ik met de trein vanuit Haarlem om na een lange treinreis door Duitsland, Polen, Witrusland, Rusland en Kazachstan op 4 juli in China te arriveren. Dat was in het uiterste noord-westen bij de grensplaats Druzhba. Van daar reisde ik verder per trein via Ürümchi, Lanzhou, Datong, Beijing, Xi'an, Chengdu, Dazu, Chongqing, Yichang, Yangshuo en Guangzhou naar Hong Kong, waarvandaan ik op 8 augustus terugvloog naar Nederland.
Ik onderbrak mijn reis regelmatig om steden te bezoeken. Zo bracht ik drie dagen in Moskou en bijna een week in Beijing door. In het zuiden van China ging mijn aandacht vooral uit naar het platte land. Geweldig waren de karstbergen bij Yangshuo en de drie kloven van de Yangzte-rivier, die vanwege het stuwdamproject bij Yichang dat jaar voor het laatst in al hun glorie bewonderd konden worden. Ook indrukwekkend was het Zhang Jia Jie-park, dat met zijn loodrecht omhoogwijzende rotspieken uniek in de wereld is, maar wegens zijn moeilijke bereikbaarheid nauwelijks door buitenlanders wordt aangedaan. Maar ook de steden had ik niet willen missen. Het zijn stinkende betonwoestijnen waar het zonlicht vanwege de smog niet meer door kan dringen, maar het was geweldig om op de fiets in de enorme stromen Chinezen op te gaan en 's morgens rond zes uur in de parken mee te doen met de Tai Chi-oefeningen. En dan de vele tempels en paleizen die na de verschrikkingen van de Culturele Revolutie grotendeels weer uit de as herrezen zijn.
| Terug naar het menu |