Tweemaal heb ik het bijzonder interessante Cambodja bezocht. De eerste keer was van 23 februari tot en met 3 maart 1997. De tweede keer bezocht ik Cambodja van 25 maart tot en met 1 april 2000 na mijn reis door Vietnam.
Beide keren heb ik om vooral veiligheidsredenen dezelfde route gevolgd en verbleef ik alleen in de hoofdstad Phnom Penh en de beroemde tempelstad Angkor. Wel bewoog ik mij in 2000 meer over land. Dat was in 1997, toen de Rode Khmer nog volop actief was, niet verantwoord.
Wie naar Cambodja gaat, gaat voor de tempels. Ik dus ook. Over een oppervlakte van ongeveer 40 bij 40 kilometer zijn ten noorden van het enorme Tongle Sap-meer de mooiste ruiïnes van de wereld te bewonderen. Het zijn de herinneringen aan het ooit machtige Khmer-rijk dat rond het jaar 1000 zijn bloeitijd doormaakte en daarna door oorlogen en ziektes uiteindelijk zo'n 800 jaar geleden ten onder is gegaan. Pas rond 1840 werd Angkor herontdekt.
Helaas zijn de tempels sinds de herontdekking voordurend het mikpunt geweest van beeldenroof, vernieling en ondeskundige restauratiewerkzaamheden. Het beheer is er inmiddels iets op vooruit gegaan, maar nu vormt de toenemende vercommercialisering van het toerisme een bedreiging. Er zijn plannen om van de architectonische meesterwerken een soort Disney-park te maken met lichtshows en dergelijke. Wie de serene schoonheid van Angkor nog wil ervaren, zal zich moeten haasten want ook zonder het circus eromheen groeit het toerisme nu al stormachtig.
Het zal nog even duren voordat ik de verslagen van mijn reizen naar Cambodja heb uitgewerkt, maar als het zover is zal het land een rood kleurtje krijgen op de wereldkaart. Terug naar het menu.