Maandag, 5 februari 1996
De vlucht is saai. Naast mij zit een slapende zakenman uit Jordanië. Aan de andere kant is het raam, maar er is buiten niets te zien. Slapen lukt ook niet. Ik slaap bijna nooit in een vliegtuig. Een film wordt niet vertoond en die moderne beeldschermpjes in de rugleuningen waren nog niet in de mode toen dit toestel de Boeing-fabriek verliet. Zo zit ik twaalf uur te balen. Het wordt iets minder vervelend als rond een uur of acht Thaise tijd (01.00u in Nederland) het ontbijt wordt geserveerd en het buiten licht begint te worden. Eindelijk kan ik wat anders zien als slapende en Ramadan vierende medepassagiers. Half twaalf zit de lijdensweg er gelukkig op als de wielen van het toestel de zonovergoten landingsbaan van Don Muang Airport raken. Een gevoel van opwinding bekruipt mij. Buiten zie ik witte vliegtuigen in de zinderende hitte staan. De gebouwen van het vliegveld zijn door de heiige atmosfeer slechts als silhouetten te zien. Ik ben opgelucht als ik eindelijk het bedompte toestel uit kan. Wat een vlucht! Ik kom een beetje bij als ik door de lange, donkere en gekoelde gangen naar de douane loop. Alles staat behalve in het Thais ook in Engels aangegeven. Dat is wel makkelijk. Bij de douane krijg ik een stempeltje waarmee ik een maand in Thailand mag blijven. Ook krijg ik een van de briefjes terug die ik in het vliegtuig moest invullen. Dat briefje moet ik afgeven als ik het land weer verlaat.
De bagage is goed aangekomen. Ik knoop mijn nieuwe rugzak om en wandel naar de uitgang waar ik op zoek ga naar de halte van bus 59. Dat valt nog niet mee. Het openbaar vervoer is erg goed in Thailand, maar heeft ook ingewikkelde spelregels. Een meisje, dat een paar woorden Engels spreekt, helpt mij verder. Op de halte staan veel mensen te wachten, waaronder een aantal in oranje pij geklede monniken. Aan de overkant van de zeer drukke achtbaans weg en spoorlijn zie ik een paar Thaise tempeltjes staan. Ik maak er maar geen foto's van, want ik zal nog wel meer tempeltjes te zien krijgen zonder voorbij snellende vrachtwagens en bussen op de voorgrond.
Na lang wachten komt de bus. De mensen stappen in en ik pas er nog net bij met al mijn bagage. Ik moet er even aan wennen dat in Thailand links gereden wordt. De bus zet zich in beweging en komt ondanks de enorme drukte nog goed vooruit. Op grote borden zie ik dat over een paar jaar een metro door Bangkok gaat rijden. Dat lijkt mij geen overbodige luxe.
Volgens mijn boekje rijdt de bus naar het hartje van de stad, maar in het boekje van de chauffeur staat kennelijk iets anders. In een buitenwijk stapt iedereen uit en zit er ook voor mij niets anders op dan op zoek te gaan naar verder vervoer. Ik kan de straatnamen niet op mijn kaartje ontdekken en heb dus geen idee waar ik ben. Na een tijdje rond dolen door de tropische hitte tref ik gelukkig weer iemand die wat Engels spreekt. Ze wijst mij de weg naar een andere bushalte waar een van de lijnen mij weer iets dichter bij mijn bestemming kan brengen. Ongeveer vier buslijnen later ben ik waar ik wezen moet. Thanon Khao San. Het trekkersparadijs van Zuidoost Azië. Tot mijn ergernis zie ik hier minibusjes die naar vliegveld pendelen. Het was wel handig geweest als mijn boekje daar melding van had gemaakt.
Via het vervallen tempelcomplex Wat Chana Song Khram kom ik in het steegje Soi Chana Song Khram, waar Hotel New Siam Guest House staat. Hier heeft VNC een kamer voor mij gereserveerd. Ik meld mij bij de balie, waar een dame mij in vloeiend Engels uitlegt dat ik zo lang kan blijven als ik wil, als ik maar wel elke dag vooruit betaal. Het is tien dollar per nacht. Niet echt goedkoop, maar gezien de goede locatie wel redelijk. Ik krijg een eenvoudige kamer op de bovenste verdieping. De douches en toiletten zijn bij het trappenhuis. Vanuit het kleine raampje kan ik net de gebouwen van het prachtige koninklijke paleis zien.
Na gedoucht te hebben wandel ik terug naar Thanon Khao San om op zoek te gaan naar een goede plattegrond van de stad. Die lijkt mij onmisbaar. Ik vind er een waarop ook de lijnen van het openbaar vervoer staan. Dat is wel handig. Terwijl ik mij vergaap aan de marktstalletjes met namaakkleding, namaakhorloges, namaakidentiteitsbewijzen en nog heel veel andere namaakspullen, spreekt een Thaise jongen mij aan. Hij zegt dat hij student is en reageert enthousiast als hij hoort dat ik uit Nederland kom. Hij zegt rechten te studeren en in edelstenen te handelen. Hij koopt robijnen en saffieren in en verkoopt die in Europese landen. Volgende maand gaat hij naar Nederland. Hij betaalt zijn reis van de winst die hij met zijn handeltje in edelstenen maakt. Hij dringt erop aan dat ik met een tuktuk naar een edelstenenwinkel ga. Hij betaalt de tuktuk, zegt hij en ik ben tot niets verplicht. Hoewel ik geen zin in de winkel heb, lijkt een ritje met zo'n brommer op drie wielen mij wel aardig. Dan zie ik meteen wat van de stad.
Verkeersregels negerend snelt het driewielige voertuigje over de vele met auto's en bussen verstopte verkeerspleinen. Overal weet de handige chauffeur net tussendoor te glippen en een paar keer kruipen we echt door het oog van de naald, als hij op het nippertje een aanstormende bus weet te ontwijken. De student is het kennelijk gewend, want hij babbelt rustig door over zijn reizen, buitenlandse vrienden en edelstenen. Na een benauwd kwartiertje stoppen we bij een edelstenenwinkel. Een officiële staatswinkel zegt de student. Want ik moet volgens hem uitkijken voor winkels waar ze namaakstenen verkopen. Volgens mij is alles namaak in Bangkok. De student gaat niet mee naar binnen.
Een oude man stelt zich voor als verkoper en herhaalt het verhaaltje over staatswinkels. Als hij ziet dat ik nog niet overtuigd ben, komt hij met een dik boek waarin kopieën van Nederlandse paspoorten zitten. Allemaal tevreden klanten, zegt hij. Hij laat een paar kleurige steentjes zien en zegt dat ik die makkelijk met een paar honderd dollar winst kan doorverkopen in Nederland. Ik zeg dat ik geen handelaar ben en dat ik misschien wel wat steentjes als souvenir mee naar huis neem, maar dat ik eerst nog een rondreis ga maken.
Als ik terugloop naar Thanon Khao San zie ik verschillende affiches op muren geplakt, waarop toeristen in het Engels gewaarschuwd worden om geen edelstenen te kopen. Het verhaal over de staatswinkels is volgens het pamflet flauwekul, omdat de staat helemaal geen winkels exploiteert. Later zal ik in een reisgids lezen dat de student een ronselaar was die pas gearriveerde toeristen probeert op te lichten. De 'staatswinkels' verkopen waardeloze rommel. Goed dat ik daar niet ingestonken ben. Onderweg passeer ik het reusachtige koninklijke paleis waar wat vuurwerk wordt afgestoken. Ik heb geen idee waarom. Iedereen die het paleis passeert, brengt een groet uit. Koning Bhumibol Adulyadej geniet een heilig respect in Thailand.
Vanwege het tijdsverschil houd ik het behoorlijk lang vol vandaag. Pas rond middernacht ga ik nog warm eten. Dat kan trouwens rond de klok in Bangkok. Mijn eerste indruk van deze fel bekritiseerde en door anderen geliefde stad is niet negatief. Nadat ik naar huis gebeld heb om te vertellen dat alles goed is gegaan, wandel ik terug naar het hotelletje om wat slaap in te halen.
| Terug naar het menu | Naar de volgende dag. |