Birma

Toen ik van 13 februari tot en met 2 maart 1996 in Birma - ofwel Myanmar - verbleef, was het land net opengesteld voor serieus toerisme. Tot die tijd was het dure visum slechts acht dagen geldig, waardoor een reis naar het verre land met zijn vele bezienswaardigheden nauwelijks te doen was. In 1996 werd een visum in het kader van het 'Visit Myanmar Year' vier weken geldig. Drie weken is minimaal nodig om het voor buitenlanders opengestelde deel van het land met zijn gouden pagodes te bezoeken. Het grootste deel van het land is ook nu nog taboe voor buitenlanders, maar de meest interessante gebieden zijn zonder veel problemen toegankelijk.

Birma is een land van bizarre tegenstellingen. De wreedheid van de regering staat in schril contrast met de ongekende schoonheid van de Boeddhistische architectuur. Rond de met prikkeldraden en hoge muren omheinde overheidsgebouwen lopen zwaar bewapende soldaten, maar een bank is soms niet meer dan een betonnen schuur met houten tafels waarop decimeters hoge stapels geld bij wijze van spreken voor het grijpen liggen. In het verkeer ben je je leven niet zeker, maar bij de bushaltes wachten de mensen naar Engels voorbeeld in keurige rijen.

Hoogtepunten zijn de magistrale gouden Swedagon-pagode in Yangon (Rangoon), de drijvende markten op het Inlemeer, de tempels van Mandalay en de Middeleeuwse ruïnestad Pagan. Maar ook de buffels in de rijstvelden, de regenwouden van het noorden en het gezang rond de kloosters maken Birma tot een onvergetelijke ervaring.

Terug naar het menu.